25 jaar digitale transitie in de journalistiek 7: Pas op de plaats (1)

Het mopje werd herhaald door Paul Brill, Volkskrant 18 juli 2001, en gaat over Sam en Moos: Sam waakt bij het bed van Moos, die op sterven ligt. Plotseling opent Moos zijn ogen en vraagt Sam om een gunst: hij zou zo ontzettend graag nog een broodje zalm nuttigen. Sam is verrast door het verzoek, maar wil zijn vriend graag terwille zijn. Hij haalt een broodje zalm, dat Moos met smaak opeet. Tien minuten later vraagt Moos om nog een laatste gunst: een broodje pekelvlees. Sam aarzelt, maar durft niet te weigeren. Hij haalt een broodje pekelvlees, dat ook weer gretig wordt verorberd. Dan komt Moos met een allerlaatste verzoek: een broodje ei. Nu heeft Sam er genoeg van: ‘Wordt hier gestorven of gegeten?

Commentaar Brill: ‘de verzuchting zou uit de mond kunnen komen van een internetgoeroe die de gedrukte media reeds naar de vuilnisbelt van de geschiedenis heeft verwezen.’ Want dat, inderdaad, was wat er na het klappen van de internetzeepbel in maart 2000 steeds vaker te horen viel: ’De digitale revolutie is mislukt’. Aldus een kop in het NRC Handelsblad van 20 september 2002.

Het is een voorbeeld uit talloze. Niettemin stond in het artikel met bovenstaande kop iets heel anders te lezen dan je zou denken, namelijk:

‘Internet is inmiddels net zo gewoon als telefoon en fax, televisie en krant. Maar de digitale revolutie, die veel goeroes voorspelden, blijft vooralsnog uit.’

Hoe kon internet binnen een jaar of zes nu net zo gewoon zijn geworden als de krant – die er een paar honderd jaar over gedaan had om gewoon te zijn – en geen revolutie veroorzaakt hebben?

Gelukt & mislukt tegelijk

Het artikel in het NRC Handelsblad is er niet helemaal duidelijk over. Het was gebaseerd op een door de krant zelf gehouden enquête onder zijn lezers – 5000 deden er mee. Daaruit bleek om te beginnen, inderdaad, wat ook in de lead stond en door cijfers van elders geïllustreerd werd: dat een flinke meerderheid van de Nederlandse bevolking (> 60%) het internet gebruikte voor communicatie, informatie en zaken als telebankieren. ‘Een nieuw communicatiekanaal is echter nog lang geen nieuwe economie,’ schreef de krant terecht. ‘Of een nieuwe democratie, een nieuwe overheid of een nieuwe vorm van onderwijs.’

En ook geen alternatief voor de journalistiek, zou je kunnen toevoegen. Maar betekende dit dat ‘men’ de internetjournalistiek aan het begin van deze eeuw als mislukt zag?

Dat gaat te ver. Wat er gebeurde is dat zo goed als alle traditionele mediabedrijven, in Nederland en elders, na het klappen van de internetzeepbel begrepen dat ze een andere weg moesten inslaan. Stuk voor stuk hadden ze immers hetzelfde gedaan als PCM, Wegener en De Telegraaf: snel en veel in internet investeren om toch vooral de boot niet te missen. Probleem was, zie PCM, dat men vervolgens geen idee had welke koers te varen. De zeepbel was zo bezien een geluk bij een ongeluk. Om het te zeggen in de woorden van Rik Rensen, directeur van RTL e-Media, onderdeel van HMG:

‘Mediaconcerns komen erachter dat ze te royaal in het internet hebben geïnvesteerd. De realiteitszin keert terug.’

Dergelijke woorden waren vanaf begin 2001 steeds vaker, op steeds meer plekken en steeds krachtiger te horen. Maar wat betekenden ze? Eerlijk gezegd denk ik dat slechts één antwoord mogelijk is: men wist het niet, niemand wist het. Het zou de relatief recente enorme groei van de zogenoemde journalism studies kunnen verklaren: wanhopig over de te volgen koers keken organisaties, bedrijven en professionals steeds vaker naar mensen die geacht werden het te weten, ‘de wetenschappers’. Helaas wisten die het eigenlijk ook niet. Analyses genoeg, suggesties te over maar weten, zekerheid? Nee.

Niettemin is het opmerkelijk dat in Nederland een paar vroege en goede pogingen tot probleeminventarisatie verschenen. Daarbij komt, eerlijk is eerlijk, in eerste instantie aan twee personen de eer toe: Jo Bardoel en Mark Deuze.

Bardoel en Deuze

In december 2001 publiceerden Bardoel en Deuze samen een artikel in notabene het Australian Journalism Review over wat zij toen noemden ‘netwerk journalistiek’, Network Journalism. Het is een belangrijk en interessant artikel omdat het daadwerkelijk probeert zoiets als een pas op de plaats te maken. Interessant is het artikel bovendien omdat het indirect laat zien wat er in een kleine twintig jaar allemaal veranderd is – en wat niet.

Internetjournalistiek is het tijdperk van de shovelware voorbij, stelt het tweetal aan het begin van het artikel. Bedoeld is: de tijd is voorbij dat stukjes voor de krant, al dan niet enigszins bewerkt, simpelweg online werden geplaatst. Het internet begint een zelfstandige kracht te worden en de journalistiek kan niet anders dan daarop inspelen. Al doende dient zij zich te beseffen dat de journalistiek door het internet op drie manieren veranderd is:

  • Het internet heeft de journalistiek als een voor de democratie noodzakelijke intermediair overbodig gemaakt. Tal van andere ‘intermediairs’ zijn opgestaan
  • Het internet biedt de journalistiek een enorme hoeveelheid bronnen en een welhaast oneindige hoeveelheid technologische mogelijkheden
  • Het internet maakt eigenlijk een nieuw soort journalistiek. Deze kan aangeduid worden met een begrip als digitaal of online

Wat betreft deze nieuwe journalistiek leggen Bardoel en Deuze in dit artikel vooral klemtoon op technologie.

Online journalism can be functionally differentiated from other kinds of journalism by using its technological component as a determining factor in terms of (operational) definition.

Bedoeld wordt  dat online journalistiek ‘gewoon’ journalistiek is, met één verschil: dat de technologie haar mogelijkheden biedt die tevoren niet bestonden. Tot die mogelijkheden horen in het bijzonder:

  • Interactiviteit: maker en gebruiker kunnen op het journalistieke product c.q. op elkaar reageren
  • ‘Customisation’: informatie kan aangepast worden aan de wensen van de gebruiker
  • Hypertextualiteit, een tekst verwijst staat niet langer op zich maar wijst verder
  • Convergentie c.q. multimedialiteit: woord, beeld en geluid komen samen

De gevolgen van deze vier, dankzij de technologie geboden mogelijkheden hebben grote betekenis voor de journalistiek als geheel en voor de journalist als professional, stelt het tweetal. Zo wordt laatstgenoemde  minder afhankelijk van organisaties terwijl hij tegelijkertijd over meer mogelijkheden beschikt om zelfstandig zijn beroep uit te oefenen. Hiertoe zal hij wel breder uitgerust moeten zijn. Deze bredere uitrusting op zijn beurt zal tot andere vertelvormen leiden.

Het is interessant je af te vragen wat er van deze analyse een kleine twintig jaar later nog overeind staat. Veel, denk ik. Daarover een volgende keer.