De twee markten van de Persgroep

In februari beloofde ik meer te zullen vertellen over mijn onderzoek naar De Persgroep. Hier een update.

 

De afgelopen maanden onderzocht ik hoe tussen de jaren 2000 en 2016 de vraag veranderde in de Nederlandse lezers- en advertentiemarkt. Ik bestudeerde ook hoe krantenuitgever De Persgroep op deze veranderingen reageerde met haar aanbod (waardepropositie) aan lezers en adverteerders.

Ik schreef vorige keer dat ik voor deze studie overwoog om topic modeling van big data als methode in te zetten. Dan zou ik ‘R’ en Python gebruiken voor een analyse van (web)teksten waarin De Persgroep haar waardeproposities aan klanten beschrijft.

 

Welke methode?

Toch heb ik uiteindelijk voor een andere methode gekozen: de zogenaamde process study. Nadat ik onlangs dit artikel over ‘entrepreneurship’ las, begreep ik waarom mijn co-promotor, hoogleraar Vareska van de Vrande, me deze methode aanraadde.

Lange tijd bestond het onderzoek naar ‘entrepreneurship’ vooral uit (veel kwantitatief) onderzoek door economen en bedrijfskundigen naar de typische eigenschappen van de individuele ondernemer en naar de (financiële) prestaties van hun bedrijven. Inmiddels realiseren onderzoekers zich echter dat ondernemerschap vooral draait om de ontdekking van ‘opportunities’, ofwel de gaten in de markt die bijvoorbeeld ontstaan door nieuwe wetgeving of technologie. Om het ontstaan van dit soort kansen voor ondernemers in kaart te brengen zijn historische studies van processen heel geschikt.

Dus dat doe ik nu al maanden. En… daarvoor kan ik helaas geen algoritme gebruiken, maar moet ik (als mens) door een grote dataset ploegen.

 

Welke data?

Voor de jaren 2000-2016 codeerde ik bijna drieduizend (!) berichten over de Persgroep (PCM Uitgevers tot 2009) uit de vakbladen Villamedia en Adformatie. Daarnaast doorloop ik ook in totaal dertig jaarverslagen van PCM Uitgevers, de Persgroep en NDP Nieuwsmedia, de Nederlandse brancheorganisatie van nieuwsmedia.

Uit deze documenten haal ik de belangrijkste gebeurtenissen. Die zet ik voor de hele periode op een rij. Daarna moet ik hierin de grote lijnen zien te ontwaren. Best een klus, die nog niet af is.

 

Waarom de Persgroep?

Ten eerste omdat dit een ‘legacy’ mediabedrijf is dat vanaf de lancering van het internet (1993) continu te maken heeft gekregen met nieuwe concurrenten in de adverteerders- en lezersmarkt.

Ten tweede heeft De Persgroep net als veel andere ‘oude mediabedrijven’ een hybride waardepropositie omdat het klanten in twee verschillende markten bedient. Lezers krijgen van deze uitgever iets anders aangeboden dan adverteerders en ik wil kijken waar die propositie overlapt of niet.

Ten derde is De Persgroep ook een hybride bedrijf qua eigendom (non-profit en for-profit aandeelhouders). Dat maakt het extra interessant omdat ook hier over tijd verschuivingen plaatsvonden.

 

Waarom deze periode?

Ik wil nagaan hoe een ‘oude’ mediaorganisatie, reageerde op de komst van nieuwe bedrijven die veel sneller nieuwe kansen en gaten in de markt konden exploiteren. In 1999 betraden de meest serieuze concurrenten voor dagbladuitgevers de Nederlandse markt voor nieuws. Dat waren de gratis kranten Metro, Spits en de website Nu.nl.

 

Lees hier interessant artikel van Alexander Pleijter over hoe PCM destijds omging met Nu.nl.

 

Deze nieuwsmedia hadden geen abonnees meer, maar verspreidden gratis nieuws online en op papier vrijwel volledig gefinancierd met advertentieinkomsten. Daarna in 2004 werd Facebook opgericht en volgden meer social mediabedrijven die lezers en adverteerders inpikten van krantenuitgevers. Ook de omzet van deze ondernemingen was ‘abonneevrij’. De serieuze ‘advertentievrije’ spelers, zoals De Correspondent, kwamen pas tien jaar later vanaf 2013. Ook daar moest De Persgroep op reageren.

 

In een volgend blog zal ik de voorlopige resultaten beschrijven van wat ik vond voor grofweg de volgende drie perioden:

  1. Periode abonneevrije model (1999-2004)
  2. Periode social media model (2004-2013)
  3. Periode advertentievrij model (2013-nu)