Welkom in het theater van de angst

De beelden zijn, zoals het keukentegeltje leert en de NOS-correspondent zal herhalen, ‘ijzingwekkend’. We zien een jongeman die in zijn hand twee bebloede messen houdt. Zojuist heeft hij daarmee een man vermoord. Druk gebarend, met iets dat het midden houdt tussen een verontschuldiging en de stoere pose van de hiphopper, vuurt hij staccato-zinnetjes af op het telefoontje dat hem filmt: “We moeten hen bestrijden zoals ze ons bestrijden. Oog om oog tand om tand. Het spijt me dat vrouwen dit moesten zien, maar in ons land moeten vrouwen hetzelfde zien. Jullie zullen hier nooit veilig zijn. Zet je regering af. Ze geven niet om jullie.”

Terwijl de terrorist dit roept, komt achter hem een vrouwtje met een boodschappentas op wieltjes doodgemoedereerd naar hem toegelopen, zich blijkbaar niet bewust van wat er om haar heen plaatsvindt. Dan draait hij zich om naar zijn metgezel, aan de overkant van de straat. Tussen hen in, op die straat, het levenloze en half ontklede lichaam van hun slachtoffer. Daarnet was hij nog een – springlevend – mens, vader van een tweejarig zoontje, en militair in het Britse leger. Nu is Lee Rigby decorstuk in het theater van de angst. Dit was een uitzending in de zendtijd voor politiek gemotiveerde moordenaars. Of geloofsmatig geïnspireerde gekken, daar wil ik vanaf wezen.

Diezelfde 22 mei gaan deze beelden de hele wereld over. The Sun en ITV kopen het videomateriaal van ooggetuigen, zenden het uit – met bij ITV de waarschuwing van ‘graphic images’ – en in no time staat het op internet. Ook de BBC zendt het uit. In Nederland opent het NOS Journaal met de aanslag in Woolwich, Londen. De NOS toont een redelijk discreet beeld van het soort tent dat wordt gebruikt om slachtoffers te bedekken, met een fors bloedspoor ernaast; en in een flits een foto met daarop zowel het slachtoffer als de daders. “Ik zag ook een filmpje op internet,” vertelt correspondent Arjen van der Horst, waarna hij de videotirade van de terrorist parafraseert.

De volgende dag brengt het Journaal de aanslag als tweede item van de avond. Van der Horst is inmiddels ter plekke, heeft ooggetuigen en buurtbewoners gesproken, en ditmaal wordt een deel van het ITV-filmpje weergegeven. Waarna ‘Arjen vanuit Londen’ uit de doeken doet wat voor angsten, zorgen en gevaren er ter plekke worden ontwaard. Het RTL-Nieuws heeft het filmpje dezelfde ochtend uitgezonden, maar dan wel met een blur die de kijker het zicht op het slachtoffer ontneemt. Zowel RTL als NOS hebben inmiddels kunnen melden dat het motief van de aanslag de Britse militaire aanwezigheid in Afghanistan zou zijn.

In het Verenigd Koninkrijk is deze day after de discussie losgebarsten over de media-aandacht voor de terreurdaad en de wijze waarop zowel slachtoffer als moordenaars in beeld zijn gebracht en – in het geval van de laatsten – van een podium zijn voorzien. Er zijn dan inmiddels bij ITV al 400 klachten binnen. De zenders – BBC, ITV, Sun – verantwoorden zich met al dan niet journalistieke rechtvaardigingen. Zo stelt een BBC-woordvoerder: “Het filmpje, gemaakt door een omstander, was een belangrijk element van het verhaal en wierp licht op de daders en op de mogelijke motieven voor de aanval.” Weer een dag later verdedigen ook Sun en ITV zich. Tabloid The Sun voert niets meer of minder dan ‘the huge public interest’ aan. ITV noemt het filmpje ‘onmisbaar om het afschuwelijke incident te begrijpen’. Die 22e mei heeft de website van ITV 1,2 miljoen unieke bezoekers getrokken, een absoluut record waardoor de site een half uur op tilt slaat.

The Public Interest or what the Public is Interested in? Zo zouden we met een cruciale vraag uit ‘The Infotainment of Politics’ van Brants en Neijens kunnen zeggen. Dan had Sky het minder goed begrepen. Deze zender vond het terreurfilmpje unnecessarily distressing, en koos ervoor slechts een still te tonen. Die overigens ook nog een handvol klachten opleverde. Er zijn echter diverse redenen om minstens zo terughoudend te zijn als Sky heeft gedaan.

Sommige daarvan kwamen aan bod in een item van Wouter Kurpershoek op 26 mei in Brandpunt: ‘De Beeldenstorm’. Kurpershoek toonde paradoxaal genoeg eens te meer het hele filmpje, om vervolgens de uiterst kritische visie af te tappen van de Brusselse professor ‘Beeldcultuur’ Johan Swinnen. De eerste kanttekening van Swinnen klinkt nog tamelijk banaal: “Ik heb onmiddellijk doorgescrolld naar een ander onderwerp omdat ik zo ’s morgens vroeg niet geconfronteerd wilde worden met die harde realiteit.”

Vraagt de eerwaarde professor hier om (zelf)censuur om zijn ochtendlijke eetlust in stand te houden? Betoogt hij dat bruut geweld wél kan op een gepast tijdstip, ergens nadat de klok tien maal geslagen heeft? Dat blijkt Swinnen niet te bedoelen. Zijn stelling in Brandpunt is dat beelden in het hedendaagse nieuws domineren, en dat deze beelden ook nog eens alsmaar verder verruwen. Dat lijkt Kurpershoek te beamen, die verwijst naar de journalistieke concurrentie met internetfilmpjes; met als voorbeeld de video van een Syrische rebel die het hart zou opeten van een tegenstander. “En zo ontstaat er een nieuwe beeldcultuur waarin extreem gewelddadig beeld geaccepteerd wordt omdat het de werkelijkheid zou tonen. Een nieuwe generatie terroristen in het Westen speelt daarop in. Ze kopiëren de afschuwelijke misdaden die ze op internet zien en weten wat de impact zal zijn.”

Hier heeft Kurpershoek – in samenspraak met Swinnen – een punt.  De voorliefde voor zo sensationeel mogelijke beelden bij journalisten speelt terroristen in de kaart. Die oogsten hiermee de aandacht die ze beogen. Filosoof Rüdiger Safranski schreef het in zijn ‘Hoeveel globalisering verdraagt de mens?’ tien jaar terug al tamelijk onverbloemd op: “Het terrorisme opereert op twee niveaus: het concrete en het symbolische. Je hebt de acties, maar net zo belangrijk is de verbreiding van het schrikaanjagende nieuws. De media worden daarom handlangers tegen wil en dank. De enen produceren de verschrikking in de verwachting dat de anderen die verbreiden.”

Wat Safranski nog niet kon weten, is dat anno 2013 naast de journalistiek ook het publiek tot een al dan niet bewuste medeplichtige zou worden. Niet voor niets vroegen de Woolwich-moordenaars de toeschouwers om hen vooral te filmen. En zo blijven afschuw en angst niet beperkt tot een Londense straathoek, maar vinden ze hun weg over de hele virtuele én fysieke wereld. Waarmee het bij uitstek terroristische doel van angst aanjagen feilloos wordt gerealiseerd. ‘Jullie zullen nooit veilig zijn.’ Wam bam thank you mam!

In veel media – en bij nogal wat ‘consumenten’ van die media – lijkt ook los van de fascinatie voor terroristische acties een trend tot gruwelporno gaande. Zo was er in Nederland het afgelopen jaar gedetailleerde aandacht voor de bekentenis van Marianne Vaatstra’s verkrachter annex moordenaar, en voor alles wat voorafging aan en volgde op de gewelddadige dood van Ingrid Visser en Lodewijk Severein. Bij zowel journalistiek als publiek zullen hier waarachtige betrokkenheid en medeleven spelen, maar mag ook voyeurisme niet altijd worden uitgesloten. Het lijkt me dat aldus niet op onze beste instincten wordt ingespeeld.

Ik zou dan ook willen pleiten voor op z’n minst een grondige discussie onder journalisten over de vraag hoeveel aandacht je wilt geven aan al dan niet politieke gemotiveerde gruweldaden, hoe gedetailleerd je het geweld wilt weergeven, en hoe uitbundig je daders aan het woord wil laten. Daar zouden gerust praktische consequenties uit mogen volgen, in de vorm van wat we niet laten en willen zien.

Dit is geen oproep tot zelfcensuur en al helemaal niet tot overheidsingrijpen. Maar zelfbeheersing kan vele voordelen hebben. Ze ontneemt terroristen iets van de publicitaire zuurstof die ze nodig hebben om het door hen gewenste vuur aan te wakkeren. Datzelfde geldt voor de extremisten die op hen reageren (zoals in Engeland extreemrechtse groepen, die na ‘Woolwich’ overgingen tot gewelddaden tegen moslims), of voor overheden die met gretigheid gebruik maken van publieke angst om vrijheid op het altaar van ‘veiligheid’ te offeren. Ze geeft slachtoffers een restje waardigheid en hun geliefden een fractie troost op een moment dat dezen zich al weerloos weten. En ze biedt zowel journalisten als hun publiek – onszelf dus – elementair fatsoen in plaats van een aanwezigheid als bermtoeristen bij andermans leed.

Bob Garfield van de NewYorkse publieke radiozender WYNC wijst in een uiterst trefzeker radiocommentaar,  ‘Is there a right way to report on terror?’, op een onverwacht argument om de tirade uit het begin van dit artikel niet af te draaien: de dader legt er een bekentenis in af, waardoor er volgens de Britse wet geen publiciteit aan zou mogen worden gegeven. Dat was dan ook de reden, aldus Garfield, dat een deel van de media in Engeland dit gedeelte van het filmpje niet toonde.

Een juridische spitsvondigheid lijkt mij niet de beste reden om journalistieke zelfbeheersing op te brengen. Het eigen geweten is dat des te meer. Voor even creatieve als consciëntieuze journalisten blijft er ook zonder het soort filmpjes dat op internet al zo uitbundig aanwezig is, genoeg te berichten over. Al is het ironisch dat ik in deze recensie van het angst-theater ook weer heb gemeend te moeten openen met de monoloog van een hoofdrolspeler.

Dit artikel verscheen op 28 juni 2013 eerder in De Nieuwe Reporter