Voorbij het verdienmodel – Het Vervolg

Ooit heb ik mezelf aangeleerd om niet te reageren op mensen die op mij reageren. Sterker nog: ik las de reacties niet eens meer. Dat had veel te maken met de botte stijl van nogal wat comments. Of met het feit dat de ‘reaguurder’ in kwestie overduidelijk niet las wat ik geschreven had, maar er alleen in aantrof wat hij zelf al vond.

 Aan de andere kant: er zijn ook mensen die simpelweg de moeite nemen om je stuk te lezen, erover na te denken en erop te reageren. En een repliek op de kritiek kan de discussie weer verdiepen. Vandaar dat ik hier met een nieuw stuk antwoord op de comments van Rick van Dijk, Simon van Woerden en Arent Jan Hesselink bij mijn ‘Voorbij het verdienmodel’.   

Rick van Dijk stelt dat geld verdienen een middel is om de journalistieke waakhondfunctie te kunnen uitoefenen; en meent dat ik zaken tegenover elkaar stel die best naast elkaar kunnen bestaan. Hij doelt daarmee, neem ik aan, op commerciële journalistiek vs. democratische dienstbaarheid. Nu heb ik nergens in mijn stuk beweerd dat geld verdienen op zichzelf fout is, en benadrukte ik dat ook journalisten moeten overleven, wat hun hooggestemde idealen ook mogen zijn.

Het probleem is echter dat wanneer commercie voorop komt te staan en de discussie steeds gaat over ‘verdienmodellen’, dat wel degelijk ten koste gaat van andere motieven als informeren, een platform voor diverse opinies bieden of het machthebbers moeilijk maken om met misleiding weg te komen. Mijn bezwaar betreft niet de markt op zich, ook niet wanneer journalisten zich hierop begeven. Ik heb slechts een probleem met een te alom aanwezige en te dominante markt. Zeker als dit niet het genoeglijk samenzijn is à la  Marktplaats, of de Albert Cuyp op een zonnige ochtend, maar een oligopolie waar mediamultinationals zich overduidelijk meer om winstmarges en bonussen druk maken dan om hun nederige werknemers, luisteraars, lezers en kijkers.

Je kunt niet alles hebben. Simon van Woerden verwijst naar het stuk in De Nieuwe Reporter, ‘Vijf dingen die journalisten kunnen leren van rappers’, dat door mij werd bekritiseerd. Niet omdat ik rap niet waardeer of niet opensta voor onconventionele rolmodellen, zelfs als deze omringd worden door te veel bling, ho’s & bitches; maar omdat de auteur van dat artikel, Paul Clappers, ook al zo’n prominente rol toebedeelde aan niet een beetje maar heel veel geld verdienen. Dat lijkt me een tamelijk armzalige ambitie – maar hé: ieder het zijne – het doet bovendien vroeg of laat afbreuk aan ideëlere doelstellingen. Vandaar dat het niet volstaat om zoals Van Woerden en Clappers doen, te wijzen op die andere fraaie rappersactiviteit: ‘Verhalen vertellen die niemand vertelt of wil horen op een manier zoals niemand het doet.’

Voor iedere ‘geslaagde’ rapper – geslaagd zoals Clappers het voorstelt, met heel veel centjes op de bank – zijn er tien die het niet hebben ‘gemaakt’. Juist omdat zij de verhalen vertelden die in elk geval de mainstream niet wilde horen en dat ook nog op een manier zoals niemand het deed: de verhalen waarop platenmaatschappijen, producers en de belangrijkste media niet zaten te wachten. Wanneer je werkelijk journalisten wilt laten leren van artiesten – of dit nu rappers, dj’s of andere muzikanten zijn – vertel dan het verhaal van de spanning tussen commercie en inhoud: en hoe velen trouw bleven aan zichzelf maar geen ‘succes’ oogsten, hoe anderen heel veel geld verdienden maar ergens onderweg hun ziel verloren, en hoe weer derden zowel financieel als moreel overeind bleven en simpelweg hele mooie, relevante dingen maakten.

Ja, hoe doe je dat toch: het maken? Arent Jan Hesselink benadrukt terecht de wezenlijke problemen waarmee de journalistiek als geheel en talloze individuele journalisten worstelen. Problemen waar inderdaad ook directie, docenten en studenten op een School voor Journalistiek oplossingen voor moeten helpen vinden. Ik probeer hieraan het mijne bij te dragen. En wel allereerst door ‘mijn’ aanstormende journalisten niet alleen bij te lichten in hun idealen, maar simpelweg hun vaardigheden te versterken, hun kennis te vergroten, ze aan belangrijke ‘kennissen’ te helpen, en ze zo praktisch voor te bereiden op de big, bad world out there…

Ik denk echter dat je je drastisch vergist als je – zoals Arent Jan hier – het ‘naïef’ noemt om ideële naast commerciële motieven te blijven plaatsen. Want dat is in wezen alles wat ik doe. Dat is geen open deur helaas, want in dat geval zouden we juist vaker over journalistieke waakhonden praten en wat minder vaak over die vervloekte verdienmodellen. Het is ook al geen luxe, want wanneer we doorgaan om toe te laten hoe commercialisme journalistiek tot leeghoofdig amusement maakt, blijft er geen journalistiek over. En kun je je bovendien afvragen of de burger nog geïnformeerd genoeg is om zelf de ‘boven hem gestelden’ te controleren. En het is tot slot allesbehalve vrijblijvend. Voorbij het binnenhalen van de centjes de eigen integriteit bewaren is een dagelijks en nooit ophoudend gevecht. Hoe in de praktijk van alledag genoeg in plaats van exorbitant te verdienen, hoe overeind te blijven zonder je ziel te verkopen, hoe te overleven zonder jezelf aan een Gouden Kalf te overleveren: misschien moet daarover wel de discussie gaan.

PS. Over commercie gesproken. Wanneer ik nog eens naar mijn gepubliceerde stuk kijk, zie ik hoe er ‘spontaan’ hyperlinks zijn geplaatst van woorden die ik gebruik – zoals ‘geld’ of ‘helpen’ – naar advertenties. Ja, die centjes moeten inderdaad worden verdiend.

Auteurs