Voer voor journalisten: wat is eigenlijk ‘waar’? (50 jaar SvJ #1)

Vorige week, op 1 november, overleed op zeventigjarige leeftijd Jan van Cuilenburg, voormalig hoogleraar communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Van Cuilenburg schreef veel over media en journalistiek, met name over de pluriformiteit en de kwaliteit van de openbare informatievoorziening.

De journalistiek was in zijn ogen vooral belangrijk omdat betrouwbare, relevante en diverse informatievoorziening een voorwaarde voor een goed functionerende democratie was.

Begin dit jaar publiceerde Van Cuilenburg als eindschot en ook onbewust als afscheid een must-read voor journalisten: “Waarheidsvinding als Journalistieke Missie”. Een boek met een bescheiden ondertitel “een opmaat naar een kennisleer” maar met een ambitieus doel: journalisten te laten nadenken over wat waar is en over hoe ze tot zo’n beoordeling komen.

 


Op vrijdag 18 november viert de School voor Journalistiek haar 50-jarig bestaan met een congres “Wie gelooft nog in de journalistiek?”. Ik dus. Daarom mag ik samen met SvJ-directeur Hans de Clercq het congres openen. Ter voorbereiding lees ik boeken, artikelen en rapporten. En daarvan doe ik hier verslag. Vandaag deel 1.

Inschrijven voor het congres kan via deze link. Op het programma staan o.a. Andrew Keen, Esra Dogramaci (BBC), Marc Josten (Human/ VPRO), Hille van der Kaa (BN De Stem), Remko van Broekhoven (SvJ), Sywert van der Lienden en Dominique Wesie (Powned). Op 9 december is er reüniefeest (hier aanmelden).


 

Waartoe zijn journalisten op aard? Wat zijn journalistieke kernwaarden? De feiten rapporteren: “Waarheidsgetrouw, betrouwbaar, volledig, nauwkeurig en onpartijdig”. Maar wat, zo schrijft Van Cuilenburg “maakt feiten tot feiten en de waarheid tot waarheid?”

In Waarheidsvinding als Journalistieke Missie onderneemt Van Cuilenburg een tocht door ruim 500 jaar waarheidsvinding aan de hand van filosofen, wetenschappers, kerkleiders, journalisten, politici en activisten. Journalisten kunnen veel leren van wetenschappers. Die buigen zich al eeuwen over de vraag hoe ze tot ‘waarheid’ komen: Geloof? Observatie? Discussie? Onderzoek?

Short-cuts naar de waarheid

Journalisten hebben het makkelijker: “omdat iemand het zegt”, “omdat er twee bronnen zijn”, “omdat iedereen het zegt”, “omdat het ANP het zegt”, “omdat andere media het ook zeggen”, “omdat mijn gevoel dat zegt”, “omdat een autoriteit of expert dat zegt”. Veel tijd om zaken te checken is er vaak niet, vandaar de diverse short-cuts naar de waarheid.

De tocht door de geschiedenis van de waarheidsvinding voert ons onder meer langs Luther, Servet, Calvijn, Bacon, Castellio (“Over de kunst van het twijfelen”), Galilei, Descartes, Hobbes, Milton, Spinoza, Locke, Stuart Mill, Marx, Kant en Weber uiteindelijk naar Popper.

Poppers falsificatie-adagium is een belangrijk leerstuk voor Van Cuilenburg. Hier gebeurt iets in de wetenschap wat in de journalistiek zelden gebeurt: proberen te bewijzen dat iets niet waar is. Journalisten zouden dat vaker moeten doen, maar ze doen vaak juist het omgekeerde: ze proberen iets te bevestigen. Waarheidsvinding zou er volgens Van Cuilenburg meer bij gebaat zijn als journalisten vaker afwijkende meningen en inzichten zouden zoeken in plaats van bevestiging.

Twijfel

Bovendien proberen journalisten vrijwel altijd oorzakelijke verbanden te vinden, ze zouden er volgens Van Cuilenburg ook genoegen mee moeten nemen dat er niet altijd een eenvoudige oorzaak-gevolg-relatie is. Veel is toeval, of soms is er wel een verband maar dat hoeft niet oorzakelijk te zijn. Voor wetenschappers zijn dat bekende concepten, voor journalisten veel minder.

De reis langs filosofen en kentheoretici is allerminst een saaie onderneming geworden. In 157 pagina’s de hele kennistheoretische filosofie uitgelegd krijgen is een verdienste op zich. Maar de belangrijkste bijdrage is de twijfel die Van Cuilenburg probeert te zaaien: is iets wel echt waar? Zou het ook anders kunnen zijn? Is het omgekeerde ook te bewijzen? Waarom is dit feit een ‘feit’?

Na het verschijnen van het interview zei Van Cuilenburg tegen Daan Marselis (De Nieuwe Reporter):

“Het boek is een pleidooi voor een open mind. Een oproep om niet te snel achter anderen aan te rennen. Het is een pleidooi voor serieuze journalistiek. Waarheid ligt in de methode die je gebruikt om tot een verhaal te komen. Let daarbij wel op. Je moet dat wat je nu voor waar aanneemt constant tegen het licht houden. Waarheid is geen vast gegeven. Het is eigenlijk altijd een misvatting. Waarheid is die misvatting die de wegbereider is voor een minder grote misvatting.”

Ontkrachten en falsificeren is minstens zo belangrijk als bevestigen. Het verhoogt de kwaliteit van de bewijsvoering en vergroot de diversiteit. Waarmee we terug zijn bij Van Cuilenburgs fascinatie voor pluriformiteit. Die is meer gebaat bij tegenspraak dan bij bevestiging.

Disclaimer: ik was in de jaren tachtig en negentig collega van Jan van Cuilenburg en ben bij hem in 1998 gepromoveerd.