Trump, media & publieke opinie

Het wonden likken naar aanleiding van het Trumptrauma zal nog wel even duren. Ondertussen kunnen we één ding onomstotelijk vaststellen – als het niet al lang bekend was: dat de media net zo min als de polls zicht hebben op de publieke opinie, laat staan dat zij deze vertegenwoordigen. Die ‘opinie’ gaat haar eigen weg.

Vermoedelijk is dat altijd zo geweest. Dit inzicht daarentegen heeft niet altijd bestaan. Juist niet. Op zijn laatst sinds het eind van de achttiende eeuw is keer op keer herhaald dat de media, toen nog de pers genoemd, ‘het’ voor het zeggen hadden dan wel wisten wat ‘er’ speelde. Ter illustratie van deze opvattingen citaten, voorbeelden en studies te over. Zo beweerde het onafhankelijke, Engelse parlementslid Joseph Danvers al in 1738 dat ‘the people of Great Britain are governed by a power that was never heard of as a supreme authority in any age or country before.’. Welke that power to be was? Inderdaad, the press.

Jürgen Habermas adstrueert deze uitspraak op vele manieren in zijn even doorwrochte als moeilijke studie (1962) naar de publieke opinie. Volgens hem kunnen we dan ook pas aan het begin van de achttiende eeuw voor het eerst zo’n opinie waarnemen spreken, in Engeland. Niettemin was in de Verenigde Staten dat de publieke opinie zij het duidelijkst en het sterkst van zich deed spreken – en wel via de pers. Vandaar, bijvoorbeeld, het vele dat Walter Lippmann hierover zegt in zijn toonaangevende studie uit 1922. Pers en publieke opinie plaatst Lippmann steeds weer in het verlengde van elkaar, met alle voor- en nadelen van dien.

Ook in Nederland is er vaak gewezen op de relatie tussen pers en publieke opinie. Denk alleen maar aan het vele dat geschreven is over de rol van De Gids in de negentiende eeuw of aan het debat dat De Journalist aan het begin van de jaren zestig van de twintigste eeuw over de rol van de pers voerde. Zij ‘constateert, interpreteert, controleert, eventueel: kritiseert,’ schreef het blad en vervolgde: ‘meteen dringt zich dan een vergelijking op, nl. tussen de journalisten en de Kamerleden. In zekere zin vormt de journalistiek… een parlement.’

Op zijn laatst vanaf de jaren negentig van de twintigste eeuw zou de rol van de media dermate versterkt zijn dat men zelfs van medialogica spreekt. Om een lang verhaal (in de woorden van Kees Brants in de tweede editie van Journalistieke cultuur in Nederland) kort te maken:

‘ten tijde van de verzuiling lag de macht vooral bij politieke partijen, na de ontzuiling emancipeerde de journalistiek van volgzame schoothond tot onafhankelijke en kritische waakhond… Nu [in het tijdperk van de medialogica] zou de macht doorgeslagen zijn naar de media.’

In andere woorden: terwijl de media aanvankelijk de publieke opinie vertegenwoordigden, begonnen zij diezelfde opinie in toenemende mate te vormen. Aldus verstevigde zij haar greep.

Ondertussen zijn talloze historische studies verschenen waarin de publieke opinie afgelezen wordt aan diezelfde media. Om een zeer recent voorbeeld te noemen: de dissertatie van Jan de Vetten naar de bestrijding van de Centrumpartij in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. In het hoofdstuk over de publieke opinie concentreert De Vetten zich op de berichtgeving in een aantal landelijke kranten, met daarbij incidentele verwijzingen naar maand- en weekbladen. Alsof het niet anders kan.

Maar kan het anders? Die vraag valt zo 1,2,3 niet te beantwoorden terwijl ik wel durf te zeggen dat zo’n antwoord hard nodig is. Want stel dat alle informatie over onze wereld vanaf 8 november 2016 als bij toverslag verdwenen zou zijn en we op basis van de tot op dat moment bestaande informatie, lees media (en polls) een reconstructie zouden maken van de Amerikaanse publieke opinie aan de vooravond van de verkiezingen, dan zou de uitkomst hartstikke fout zijn. Het is die ‘fout’ die het onderzoek naar media en publieke opinie radicaal op de kop zet.67575864

Auteurs