Schrijven over eigen leed. Vier tips.

Literatuurcriticus van NRC Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS, en daar schrijft hij over in NRC Weekend. Hij laat weten dat hij vroeger de marathon liep en nu al snel in ademnood raakt, en dat hij moet zitten op een kussen van hard schuim, omdat zijn zitvlees verdwijnt.

Waarom vind ik maar de helft van wat hij schrijft interessant? vroeg ik me af.

Over eigen leed schrijven is allang niet meer verboden. Je kunt er zelfs de Libris Literatuurprijs mee winnen, zoals A.F. Th van der Heijden met Tonio.  Maar ook journalisten schrijven over hun eigen leed. Uit de manier waarop ze dat doen valt wel een aantal lessen te trekken.

1. Schrijf niet alleen over het leed, maar over heel de mens

De eerste les komt van Henk Blanken. Hij schrijft een blog over zijn parkinson. Het is vervelend zo’n ziekte, zei hij tegen Volkskrant journaliste Loes Reijmer, maar “het levert wel een goed verhaal op”.

Met zijn ‘lifeblog’ plaatst Blanken zijn ziekte in het breder kader van zijn leven. Op 3 maart van dit jaar schrijft hij: “Ik wen aan die roestige nek, de ballorige kramp in mijn linkervoet, de spasmen in mijn hand – wat moet ik anders? Tegelijkertijd krijg ik haast als niet eerder. Want de tijd raakt op en ik wil nog op reis, ik wil nog schrijven en liefhebben, ik moet nog lezen en wandelen en leven in het nu.”

Dat doet hij. Op 21 maart beschrijft hoe hij met twee glazen wijn van de keuken naar de huiskamer loopt. Hij morst.

“Ergens gaat het mis. Zo voelt een wiel zich dat niet goed uitgelijnd is.”

Het verlies aan controle over zijn handen verbindt hij met de verbazing over wat je met je handen kunt.

“Nooit had ik stilgestaan bij het feit dat ik twee handen heb. En al helemaal had ik mij niet gerealiseerd dat die handen verder van elkaar verwijderd kunnen zijn dan alle andere, in tweetallen aangebrachte lichaamsdelen (oren, voeten, longen), maar desondanks in volmaakte harmonie samenwerken.

Kijk naar de handen van een concertpianist. Zie hoe een kind een bal vangt. Volg je handen als je met rechts een koffiepad in de automaat legt, en tegelijkertijd zonder erbij na te denken met links een glas afspoelt.”

Op die manier laat Blanken,  via de beschrijving van zijn ziekte, de lezer over haar eigen leven verbazen. Dat brengt ons op les twee.

2. Praat niet alleen over je ellende, reflecteer er ook op

Publiciste Karin Spaink kreeg in 1986 multiple sclerose en twintig jaar later borstkanker. Ook zij houdt een blog bij over haar ziekte. Hoe reageer je bijvoorbeeld op het goed bedoelde compliment ‘je ziet er nog goed uit?’ als je kanker hebt? vraagt zij zich af. In een interview zegt Spaink hierover: “Schrijven helpt me om zulke zaken te begrijpen. Eigenlijk wilde ik er eerst helemaal niet over schrijven. Ik voelde me juist net patiënt-af. Maar het is wat ik goed kan: nadenken over hoe ziekte in elkaar zit, zowel maatschappelijk als individueel, en daarover schrijven.”

Reflecteren op je ziekte betekent natuurlijk niet dat je niet mag treuren. Over verdriet zegt ze:

“Heus: het is volkomen normaal om verdrietig te worden dat je zo’n rotziekte hebt. Je raakt onverwacht de controle over je lichaam kwijt, en dus over je leven en over je toekomst. Dat is gekmakend en slopend. Daar depressief van worden, is volkomen logisch – niets iets waartegen je pillen zou moeten slikken.

Liever heb ik dat we razen. Dat we uitschreeuwen hoe lastig ons lot is, dat we wegen zoeken om alsnog te kunnen doen wat we eerder wilden. Dat we ons verdriet over ons lot niet met een pilletje wegslikken, maar zoeken naar wegen om onszelf alsnog te laten gelden – met makke en al.”

Wat ons brengt op les 3

3 Zorg voor een pakkende moraal

Ieder verhaal kent een moraal. Zeker een leedverhaal. Uit onderzoek naar “narratieve therapie” blijkt hoe belangrijk het voor patiënten is om een goed verhaal over hun ziekte te vertellen. ‘Goed’ betekent in dit geval: een complex en coherent verhaal met een leefbare moraal. En wat helend is voor patiënten zou dat ook wel eens voor lezers kunnen zijn.

Een voorbeeld van iemand die het spreken over zijn ziekte verbindt met een duidelijke levensopvatting is voormalig hoofdredacteur van het tijdschrift Filosofie René Gude. Nu denker des vaderlands, stand-up filosoof en graag geziene gast bij DWDD. Hij mist een been vanwege botkanker.

In een uitzending van Pauw en Witteman legt hij uit wat de juiste emoties zijn als je hoort dat je nog maar kort te leven hebt.  “Grappig genoeg moet je bij je oorspronkelijke emoties blijven, en ze niet met rust laten,” zegt hij.

En dat brengt ons op de laatste allesomvattende les.

Naamloos

4 Denk na over de vorm

Alle schrijven vraagt om vorm. Anna Enquist (Contrapunt), PF Thomese (Schaduwkind) en A. F Th. Van der Heiden hebben dat ieder op hun eigen manier laten zien. Van der Heijden heeft dan wel gezegd dat hij van de dood van zijn zoon juist geen verhaal wilde maken, maar dat zegt niets over de vorm van het boek. Hij noemt het zelf een requiemroman.

Ik herinner me in het begin van het boek een perenboom. Van der Heijden is met vrouw en zoon op vakantie in Nerja waar hij schrijvend op het terras uitkijkt op een bloeiende perenboom. Op een dag komt er een man met een kettingzaag die de boom zonder blikken of blozen omlegt. Van der Heijden schrijft: “Ik rende naar hem toe, probeerde hem duidelijk te maken dat dit een vergissing moest zijn. Er lagen al een paar afgezaagde takken, dik in de bloesem, op het gazon. Ik smeekte de man ermee op te houden. Hij haalde net als de vorige dag zijn schouder op, mompelde iets nog onverstaanbaarders en ging verder met zijn verwoestende arbeid.  (…) Een of andere onbenaderbare hufter had door een huurmoordenaar een vruchtboom in bloei laten liquideren, pal onder mijn ogen.“

Je hoeft geen literatuurkenner te zijn om in de gevelde vruchtenboom in bloei een voorbode van de naderde dood van zijn zoon te zien.

Moet zoiets? Moet je die truc ook in andere persoonlijke leedverhalen toepassen? Nee, het hoeft natuurlijk niet perse zo. Maar iets dat de rauwe pijn boven zichzelf uittilt, heb je wel nodig om de betekenis van die pijn duidelijk te maken. En dat ‘iets’, dat is de vorm.

Sommigen vinden dat het vormgeven van eigen leed te ver gaat. Marja Pruijs noemt in De Groene het verliteraturen van Tonio’s dood zelfs obsceen. “Alsof de dood van de zoon toch nog een hoger doel heeft gediend. Net zoals ik het obsceen vind om de schrijver nu te feliciteren met zijn onmiskenbare ‘tovenaarschap’ (Arjan Peters in de Volkskrant), ‘de vele dwarsverbanden en verwijzingen’ (Arjen Fortuin in NRC Handelsblad) en het feit dat rouw ‘het beste in zijn schrijverschap’ naar boven haalt (Rob Schouten, Trouw).”

Toch vindt ze het geen reden die obsceniteit achterwege te laten, getuige het slot van haar recensie: “zijn [Van der Heijdens] onmachtige pogingen hem alsnog te behoeden voor die lelijke dood, behoren tot het mooiste wat iemand kan schrijven. Het is obsceen, maar waar.”

Mens worden

Terug naar Pieter Steinz. Onderaan zijn stukje staat “Pieter Steinz heeft ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest.” Mooi concept. Het past ook wel bij de vier regels. Maar waarom werkt het niet in zijn geval? Het belangrijkste probleem is denk ik dat hij de boeken die hij noemt, zoals The Picture of Dorian Gray van Oscar Wilde, slechts uitwendig met zijn ziekte verbindt.

In de roman van Oscar Wilde ziet Dorian Gray zijn geschilderde zelfportret verouderen terwijl hij zelf jong blijft. Door zijn ziekte wordt Steinz ook snel ouder. Je kunt je de link voorstellen. Maar het enige wat Steinz erover schrijft is dit: “Het beeld van de snel verwelkende Dorian heeft de afgelopen maanden dan ook vaak door mijn hoofd gespookt – terwijl ik me verder liefst zo min mogelijk met hem identificeer.”  Daarna gaat hij over tot het benoemen van de dingen die hem de laatste maanden slecht afgaan. Een hele lijst. Op het spoken in zijn hoofd en de onwil om zich met Dorian Gray te identificeren komt hij niet terug. Juist daarin lag de mogelijkheid om van slachtoffer mens te worden, wat me de belangrijkste eis lijkt om van eigen leed een goed verhaal te maken.

Een reactie