Over de oorsprong van het multimediale denken – en het internet

Zojuist publiceerde Fred Turner, voormalig journalist bij een aantal kranten uit Boston en tegenwoordig docent aan de Stanford University, zijn tweede boek over de culturele en politieke wortels van het multimediale denken en het internet. Het eerste boek, uit 2006 en met één klik binnen te halen uit de krochten van het WWW, had als hoofdpersoon een van de meer invloedrijke personen uit de Californische tegencultuur: kunstenaar, journalist en ondernemer Stewart Brand. From Counterculture to Cyberculture heet het, met als ondertitel: Stewart Brand, The Whole Earth Network, and the Rise of Digital Utopianism. Deze titel zegt vermoedelijk al genoeg voor een eerste begrip van de centrale stelling: een van de wortels van het internet en zeker van de politiek-idealistische uitgangspunten ervan ligt bij de hippiebeweging.

Turner is overigens verre van de enige die iets dergelijks beweert. New York Times journalist John Markoff en een heel wat anderen doen hetzelfde.

In zijn nieuwe boek, getiteld The Democratic Surround. Multimedia and American Liberalism from World War II to the Psychedelic Sixties, spit Turner nog wat dieper in de geschiedenis van de internetcultuur en stelt dat de oorsprong eigenlijk nog verder terug ligt, namelijk in de weerzin van een groep Europese en Amerikaanse intellectuelen tegen het misbruik dat totalitaire systemen van de massamedia maakten. Vandaar dat zij, in de woorden van Turner,

advocated a turn away from single-source mass media and toward multi- image, multi-sound-source media environments-systems that I will call surrounds.’

De belangrijksten van deze intellectuelen, onder wie heel wat Duitse emigranten, verzamelden zich in 1940 in het zogenoemde Committee for National Morale. Enkele van hun namen zijn Erich Fromm, Margaret Mead, Erik Erikson, Ruth Benedict en verder een vijftigtal psychologen, sociologen, antropologen en politieke wetenschappers meer. Kijkend naar het misbruik dat Hitler en de zijnen van massamedia maakten, stuurden zij in 1941 een rapport naar het Witte Huis waarin zij betoogden dat goede tegenpropaganda alleen door professionals (zijzelf dus) gemaakt kon worden. Maar ondanks deze stelligheid waren ze niet in staat dergelijke tegenpropaganda te produceren. Daarvoor hadden ze mensen nodig die in staat waren – wat Turner noemt – surrounds te bouwen, multimediale opstellingen ofwel omgevingen waarin in tegenstelling tot in Hitler-Duitsland of Stalin-Soviet-Unie niet één maar verschillende boodschappen tegelijkertijd werden uitgezonden. Dergelijke personen vonden zij in een andere groep intellectuelen: uit Duitsland gevluchte Bauhaus-kunstenaars als Walter Gropius en Lászlo Moholy-Nagy.

FAMILY OF MAN 5-2

De samenwerking van de intellectuelen van het Committee of National Morale en de Bauhaus-kunstenaars leidde tot een flink aantal activiteiten, met als verreweg de bekendste de grootste fototentoonstelling ooit gehouden: The Family of Man, in 1955 in het Museum of Modern Art in New York voor het eerst vertoond en vervolgens te zien in 37 landen, met uiteindelijk negen miljoen bezoekers in totaal. Sinds lang kent de tentoonstelling een permanente opstelling: in Luxemburg. Daar is zij vanaf  1 maart a.s. na een sluiting van bijna vier jaar overigens weer te zien.

In zijn nieuwe boek betoogt Turner dat de werkelijke oorsprong van het multimediale denken bij manifestaties als deze gezocht moet worden en dat hier ook het begin ligt van de utopieën die in de jaren zestig bekendheid kregen en die op hun beurt weer aan de basis lagen van de open, gevarieerde samenleving die sinds de komst van het internet meer dan ooit de onze is.

Hoewel hier en daar misschien wat ver gezocht, is de these van Turner fascinerend en in ieder geval een verdieping van de gebruikelijke internetgeschiedenissen. Een aanrader dus.