Hoe geef je les (in de journalistiek bijv.) als je niet weet wat je moet vertellen?

Het klinkt als een gekke vraag. Het is ook een gekke vraag. En toch stel ik hem, om te beginnen aan mezelf, steeds indringender, steeds vaker, steeds pijnlijker ook. Weet ik dan niet wat ik moet vertellen, verkeer ik in een existentiële crisis of zo? Nee, dat is het niet, althans niet ernstiger dan gebruikelijk. Er is iets anders aan de hand: dat ik niet weet of mijn studenten nog baat hebben bij wat ik vertel. Het probleem ligt dus niet bij mij, het ligt bij mijn omgeving, zeg in de context.

Toen ik ruim vijftien jaar geleden bij de SVJ begon, was ik enigszins een vreemde eend in de bijt. Mede om die reden, denk ik, werd ik aangenomen. Ik had veel ervaring, ook met internet, en was een vrije jongen, dat wil zeggen: ik had altijd gefreelancet. De SVJ werd mijn eerste (en bij nader inzien dus ook mijn laatste) baantje. Zowel het een als het ander werd destijds blijkbaar aantrekkelijk gevonden. Met name door de digitalisering stond de wereld op het punt ingrijpend te veranderen en degenen die mij aannamen, zo vermoed ik, veronderstelden dat ik binnen die woeligheid iets zou kunnen betekenen.

De SVJ die in aantrof was ‘een schooltje’. Een gemeenschap. Er waren normen. Er bestond zoiets als een eigen cultuurtje. Er waren mensen die het voor het zeggen hadden – daarmee bedoel ik niet het management, écht voor het zeggen, bedoel ik: spraakmakers, mensen als Louis Engelman, Gijs Schreuders, Annelies Pauw en degenen met wie zij zich verbonden voelden. Dit laatste gold overigens voor zo goed als iedereen. Want er leefde zoiets als een publieke opinie aan de SVJ, er waren gedeelde waarden. Naar die waarden leefde de school. Zo dus ook het onderwijs – met alle gedoe van dien overigens, rustig was het ook toen niet. Maar over een aantal principes was men het eens.

Dat is in de loop van vijftien jaar fundamenteel veranderd. Daarvoor zijn vele redenen. Die hebben wel iets met ontwikkelingen op de SVJ maar veel meer met ontwikkelingen buiten de SVJ, in de samenleving en in de journalistiek, van doen. Het noemen van die ‘ontwikkelingen’ is langzamerhand zo cliché dat het bijna gênant is maar toch…

De belangrijkste ervan is dat we meer dan ooit in een vloeibare wereld leven. Alles en iedereen is voortdurend in beweging. Gevolg hiervan – en dat is de op een na belangrijkste verandering – is dat de variëteit enorm is. Deze variëteit speelt overal maar geldt zeker ons vak, de journalistiek. Tegenwoordig kan je daarmee alle kanten op, zoveel kanten dat je je de vraag kunt stellen of journalistiek als zelfstandige discipline nog wel bestaat. Waar onderscheidt zij zich van communicatie? Waar van business? Is dankzij de sociale media niet iedereen journalist? Honderd vragen, weinig antwoorden. En lastiger nog, niemand weet wat morgen brengt: eerder meer dan minder onzekerheid.

Dus wat moet ik mijn studenten vertellen? Dat ze moeten leren feiten boven tafel te krijgen (research)? Dat ze moeten leren die feiten in verband te zetten (verhalen vertellen)? En dat ze een beetje moeten weten hoe het medialandschap in elkaar steekt? O.k., dat lukt nog wel, hoewel…

Als ik heel eerlijk ben zou ik mijn studenten het liefst afwisselend Vergeet- en Oerles geven. Doel van het eerste vak, die vergeetles, is dat je alles moet vergeten wat je weet, probeert alles wat je ziet op een andere manier te zien,  het beste helemaal opnieuw kan beginnen… Maar ja, ze zien me al aankomen, misschien nog niet zozeer de studenten als wel hun ouders, de examencommissie, de toetscommissie en alle andere stroomlijners van het huidig onderwijs. Immers degene die voor het Vergeetvak het beste tentamen maakt, levert een wit vel papier in.

Het doel van de Oerles is eenvoudiger: leer wat Herodotus ook al deed – zie de drie hierboven genoemde disciplines: research, verhalen vertellen, beetje weten voor wie en waarvoor je het doet. Dat is journalistiek. Veel meer is er niet.

Allemaal onzin dit?

Misschien maar dan wel onzin die niet alleen uit mijn koker komt. Zo volgde ik onlangs tijdens een studiedag in Kortrijk van de VNOJ een college over Condor, een project van Fontys. Wat je daar leert? Eigenlijk niets behalve datgene wat je jezelf wil aanleren. In het begeleidend tekst staat het zo: ‘geen colleges, geen verplichte opdrachten, geen klassieke kennistoetsen. Dat is waar Condor voor staat… Leren omdat je het als student zelf wil leren. Niet omdat de onderwijsinstelling dat van je vraagt. Condor is chaos, Condor is vallen en opstaan, Condor is lastig. Maar Condor is vooral bevrijdend, motiverend en leerzaam. Condor gaat uit van social engaged active learning. Wat dat is? Kom – zonder wapens en vooroordelen – luisteren en laat je inspireren door het andere onderwijs.’ Back to the sixties?

Nu zou je eventueel nog kunnen denken dat in Tilburg de carnavalszotheid net zo ingeslagen is als bij mij maar ook dat klopt niet. Literatuur over hetgeen hierboven in simplistische bewoordingen staat, is er langzamerhand te over. Een boek van Marvin Oxenham bijvoorbeeld, idem dito een van Aharon Aviram. Verder artikelen van Larry Green en Kevin Gary, Ariel Sarid, Zygmunt Bauman natuurlijk (en Mark Deuze), om de vele Spaanse en Portugese artikelen (Cláudio Pellini Vargas, Seber Ugarte Calleja, Xavier Laudo Castillo e.a.) nog niet te noemen.

Kortom, er staat iets te gebeuren en eerlijk gezegd denk ik dat het goed is. Zo gek is het dus niet dat ik even met de mond vol tanden sta.

Wat ik mijn studenten bij de eerstvolgende les ga vertellen? Ach, ik begin gewoon met goedemorgen, daarna zien we wel weer verder.