Journalistiek voorbij de verbijstering

Vanmorgen mocht EU-antiterreurcoördinator Gilles de Kerchove in De Volkskrant los gaan over IS, volgens hem op seks geobsedeerde verkrachters en gevaarlijke gekken die zich vergrijpen aan vrouwen en opgewonden raken van bloed. Om die boodschap over te brengen moet een legertje reclamemensen en pr-experts ingehuurd worden.

De aanslag op de Charlie-redactie is lafhartig en krankzinnig genoemd. Een complete redactie uitroeien met Kalasjnikovs vanwege een paar cartoons verdient ook geen andere kwalificatie.

Maar zou het eigenlijk helpen om je tegenstanders als idioten en gevaarlijke gekken neer te zetten? De acties van gekken zijn niet te begrijpen. Maar zijn de aanslagen, onthoofdingen en zelfmoordbommen onbegrijpelijk?

Oorlog is geen videogame
Voor een oorlog heb je twee partijen nodig. Er is geen oorlog met. Er is oorlog tussen. The War On Terror die in 2001 werd gelanceerd, is geen videogame waarmee het uitroeien van de tegenstander werd ingezet. Het is een langdurige strijd die ook een inspiratie voor de tegenpartij is. Het is geen “Search and destroy”, geen eenzijdige opruimactie. Elke vernietiging verzwakt en versterkt tegenstanders tegelijkertijd. Elke martelaar baart nieuwe aanhangers.

De jihad-strijders en hun supporters delen de westerse opvattingen over goed en kwaad niet. Onze cultuur (vrijheid van meningsuiting, scheiding van kerk en staat) is de hunne niet. Hun strijders zijn onze terroristen. Het Parijse Charlie-moordeskader bestaat in hun ogen niet uit krankzinnigen maar uit martelaren die de eer van de profeet verdedigen. Met elke cartoon wordt het perfide karakter van de westerse wereld – onder leiding van het verfoeide Amerika en het minstens zo verderfelijke Israël – in hun ogen opnieuw aangetoond.

Steun en navolging
De gijzeling in een joodse winkel in Parijs was een lugubere illustratie van de enorme afstand tussen twee werelden. Het neermaaien van een redactie van een satirisch tijdschrift leidt niet universeel tot afschuw en protest. Het leidt ook tot steun en navolging.

De Volkskrant publiceerde een overzicht van de herkomst van de vrijwilligers die de extreme islam vanuit het buitenland zijn komen versterken. Er is geen islamitisch land zonder een forse afvaardiging, maar ook geen westers land dat geen contingent strijders voor de ‘goede zaak’ heeft afgeleverd.

Dat contingent wordt niet kleiner. Het conflict wordt niet minder. De strijd lijkt eerder te escaleren. En de journalistiek is het conflict ingezogen. Niet als buitenlandse correspondent maar als oorlogsslachtoffer.

Journalistiek in het vizier
De journalistiek is na de aanval in een ongemakkelijke positie terecht gekomen. De aanval op Charlie Hebdo was ook geen incident. Het is een patroon. De fatwa tegen Salman Rushdie, de moord op Theo van Gogh, de aanval op Kurt Westergaard, de onthoofdingen van Steven Sotloff en James Foley, en nu dus de moord op een complete tijdschriftredactie.

De jihad-strijders hebben de journalistiek in het vizier. Waar we zouden moeten verslaan, worden we ook aangevallen. Hoe stapt de journalistiek voorbij haar eigen verbijstering?

Door het conflict in z’n volledige historische en internationale gedaante te blijven verslaan – verslaan in de journalistieke zin dus. Wat zijn de binnenlandse brandhaarden? Waar zitten de aanhangers en wat beweegt ze? Hoe lopen de geldstromen? Dit soort journalistiek wordt in Nederland nog steeds met volle overtuiging bedreven.

De stuipen op het lijf
Maar de journalistiek moet waken voor een nieuwe politieke correctheid. Het is verleidelijk om je op de golven van angst en verontwaardiging mee te laten voeren. Door lezers de stuipen op het lijf te jagen (“we laten ons niet bang maken”) met lijstjes van mogelijke doelwitten, afkomstig van dubieuze websites. Door kritiekloze Je Suis Charlie promotie, een evenement waaraan figuren deelnamen die zelf een broertje dood hebben aan de persvrijheid. Door politici die aanslag gebruiken om tegenstanders te beschuldigen van het heulen met de vijand, een open podium bieden. Door mee te doen aan de standpunt-discussie (waren we vroeger dan tegen persvrijheid?) of aan de discussie over wie zich eigenlijk voor wie moet verontschuldigen (Moslims voor Charlie? Christenen voor Brevik?). Door voorstellen om politie zwaarder te bewapenen en privacy-issues zonder al te veel discussie opzij te schuiven, zonder al te veel kanttekeningen te laten passeren.

Na 9/11 voorzag CNN al haar berichten van het label “War on Terror”. Niet als rubrieksaanduiding maar om aan te geven dat ze zelf deelnemer aan de strijd waren geworden. Dat is een rol die de journalist niet past.

===

Eerder schreven Gerard Smit, Remko van Broekhoven en Pauline Weseman over de Charlie-discussie.

Auteurs