Hyperlocal in de praktijk, live-verslaggeving vanachter het bureau

Het begon met een sms: “schoten bij Rietvink”. Een schietpartij bij een school in Zaandam. Ik wist waarom ik het bericht kreeg. Sinds vorig jaar onderhoud ik een hyperlokale site: De Orkaan. Begonnen als een bijproduct van een onderzoek naar hyperlocals in Nederland. Ik wilde zelf ook wel eens weten hoe dat ging. Eerder was ik al een jaar meeschrijver bij Dichtbij. Ook leerzaam. Maar De Orkaan liep volledig uit de hand. Mijn mailbox loopt vol, DM’s via Twitter, en nu deze sms.

Een schietpartij bij een basisschool. Nieuws dat je niet kan laten lopen, maar ik zat 60 km verderop en had afspraken, moest werken. Geen kans dat ik erheen zou kunnen, of zelfs maar bellen naar politie, gemeente en de school in kwestie. Die telefoons zouden sowieso roodgloeiend staan. Die tijd had ik niet.

Waar gezien?” sms’te ik terug, “Facebook!”

Op Twitter was nog niks te zien, maar de Facebookgroep van de bewoners had al nieuws: man onder laken (dus een dode), meerdere schoten (liquidatie?), vlakbij schoolplein (een detail dat de nieuwswaarde enorm zou doen toenemen). En een foto.

Toch maar stukje gemaakt. Met de foto en de citaten van de getuigen. En naarmate de middag vorderde het verhaal telkens aangepast. Ik embedde tweets, plakte screenshots, plaatste foto’s, keek via Streetview waar het was, en maakte een kaartje met Google maps.

Behalve sms en Facebook, gebruikte ik Twitter, Instagram, RSS-feeds, Whatsapp en mail, checkte via Twitter ook Dagblad Zaanstreek, Dichtbij, RTVNH, AT5, Het Parool, Crimesite, AD, Telegraaf en de Volkskrant. En ik keek mee toen de politie via Periscope een persconferentie gaf voor 10 volgers.

Niemand gebeld. Niet ter plekke geweest. En op mijn werk stukken geschreven en gelezen, verhuisdozen ingepakt, overleg gepleegd, telefoontjes afgehandeld en de mail beantwoord.

Hoe gaat dat? Het zou pedant zijn om hier de 10 gouden tips voor hyperlokale live-verslaggeving op afstand te geven. Er zijn vast andere en betere manieren. Maar hoe doe je het als je niet ter plekke bent en met bescheiden middelen het lokale nieuws wilt verslaan? 10 dingen waar ik tegenaan liep.

1. Facebook versus Twitter
Instanties en professionals zitten op Twitter; gewone mensen op Facebook. Als er iets lokaals gebeurt, is de kans veel groter dat het eerst op Facebook staat. Op Facebook zitten zeven à acht keer zoveel mensen als op Twitter. Toen de schietpartij net achter de rug was, bleek Facebook een veel betere bron. Later nam Twitter die rol over.

2. Facebook groepen
Zoeken in Facebook is ingewikkeld. Facebook Graph is wel te gebruiken maar liever zie je de discussies tussen bewoners. Als je zelf een uitgebreid lokaal Facebook-netwerk hebt, is dat te gebruiken, maar Facebook-groepen zijn beter. In dit geval kon ik uit zo’n groep veel informatie halen. Later wordt het een echoput van media-verhalen en een platform voor discussies en speculaties. En minder bruikbaar.

3. Tweetdeck
Als snel werd Twitter dominant, alle media zitten erop, de gemeente, de politie, soms ook getuigen en betrokkenen (de school bijvoorbeeld). Om alle relevante bronnen en zoekacties te combineren is Tweetdeck (of Hootsuite) onontbeerlijk. Zoekacties (namen van de scholen, van de straat, #schietincident, de wijk en de plaats) kunnen worden aangescherpt, lijstjes gemaakt, bronnen verzameld, en in kolommen naast elkaar gezet zodat je niet voortdurend hoeft te zoeken, te wisselen en te klikken.

4. Je eigen netwerk
Als je alleen andere media gebruikt levert dat niet altijd spannende content op. Het eigen netwerk (via mail, DM, sms, Whatsapp) kwam met eigen nieuws: originele foto’s van omwonenden, een verslag uit één van de scholen, informatie over de neergeschoten man en zijn familie. De tips via sms en de contacten voor de foto’s kwamen bijvoorbeeld van een mederedacteur.

kaart kruijverstraat b5. Google Maps en Google Streetview
Journalisten weten meteen waar iets is, maar dat geldt niet voor gebruikers. Ik werd daar eerder op gewezen door een gebruiker die zich afvroeg waarom er bij sommige berichten geen kaartje stond. Sindsdien zet ik er veel vaker een kaartje bij; in dit geval eerst screenshot gemaakt, later met een pijltje aangegeven waar de man uiteindelijk werd neergeschoten. Via Streetview controleerde ik waar het precies was. Ik gebruik ook wel screenshots van Streetview.

6. Instagram
Al snel hoorde ik dat er foto’s op Instagram circuleerden. Vooral van jongeren die in de buurt woonden. Zoeken in Instagram is een nachtmerrie. Ik heb het idee dat ik me daar beter in moet bekwamen, nu heb ik via een omweg (andere gebruiker) een foto van het slachtoffer van Instagram gehaald. Die is in het stuk gebruikt en niet de foto die later door de politie online werd gezet.

7. Tweets embedden en screenshots
De snelste manier om informatie uit tweets in je bericht op te nemen is door deze te embedden. Je hoeft alleen de html-code te kopiëren en in de post te plakken. Het levert visueel aantrekkelijke content op (aanvinken dat foto of video meegenomen moet worden) en de tweet is meteen aan te klikken door de gebruiker. (Je kan ook een serie tweets, een ‘collection’, of een  zoekactie embedden.) Het alternatief is een screenshot te maken en dat in de tekst te plakken (altijd screenshot maken als je vreest dat een tweet wordt weggehaald).

8. Bronnen noemen
Media hebben er een handje van om net te doen of ze alles zelf gevonden hebben. Volgens mij zegt zoiets gebruikers niks. En daarnaast is het een beetje kinderachtig. En met bronnen noemen bedoel ik niet alleen noemen maar ook linken.

9. Geruchten, fouten en privacy
Gaat de snelheid ten koste van de nauwkeurigheid? Het prettige antwoord zou zijn dat dit niet het geval is, maar helaas is het wel een beetje waar. In mijn berichtgeving – maar ook in die van anderen waar ik me op baseerde – zaten nogal wat onnauwkeurigheden en zaken die later aangepast werden. Het gaat erg vaak over cijfers. De geliquideerde Lucas Boom zou 41 zijn, later corrigeerde de politie dat in 43. Het zou om vijf mannen gaan die in de auto zaten, later was er sprake van 3 of 4. De meeste media hadden het over twee scholen terwijl het er drie waren. Op Facebook had iemand twee schoten gehoord, online ging het om tientallen, 10 à 15, een ‘leeggeschoten magazijn’ en over 49. Aanvankelijk werd er gemeld dat er een aanslag “op het schoolplein” was, dat bleek later op de straat voor het schoolplein te zijn. Vaak is even wachten handig, of in ieder geval duidelijk aangeven wat de bron is. Op het plaatsen van sommige foto’s (vooral van het lichaam onder het laken) kwam kritiek. Niet alles is overigens geplaatst; foto’s van de zoon van de verdachte waren bijvoorbeeld ook beschikbaar, en ook andere informatie over de familie. Dat is niet gebruikt.

10. Waarom niet Livebloggen?
Tja, waarom niet? Ik heb al weken op mijn to-do-lijstje staan dat ik die plugin moet installeren. Toch maar eens doen dus.

 

Wat leverde het op? Een verhaal met 2000 views, de helft van het bezoek kwam via Facebook, dan via search en dan pas Twitter. De dag zelf was goed voor 4000 bezoeken, het dubbele van wat normaal is. Niet de beste bezoekcijfers van de afgelopen weken, dat waren aankondiging van een open dag in de nieuwe gevangenis (5500) en het weghalen van een schutting voor een serie Zaanse huisjes (2700).

Morgen is er op de School voor Journalistiek De Dag van de Lokale Journalistiek, een symposium en een serie workshops over lokale journalistiek.

Auteurs