Het feuilleton of: de krant als huisvriend

‘Onder allerlei toebereidselen was dan eindelijk de dag der huwelijksplechtigheid aangebroken, de dag, waarop het meisje afscheid neemt van hare onbezorgde jeugd om een en ander tijdperk in het leven der vrouw te beginnen, het tijdperk, waarin zij eerst hare roeping bewust wordt, n.l. om zegen en geluk te verspreiden in den kring der haren.’

Aldus een passage op de eerste pagina van de Amersfoortsche Courant van 30 april 1885. De tekst beslaat heel het onderste deel van die pagina, drie kolommen, loopt zelfs nog een stukje door op de 2 en is voorzien van zowel een rubrieksaanduiding als een titel en een auteursnaam. Die laatste is afgekort tot S, de titel luidt ‘Een harde les’ en de rubrieksaanduiding is Feuilleton.

Eenzelfde rubriek plus aanduiding stond een dag eerder, 29 april 1885, op de voorpagina van de plaatselijke concurrent, de Nieuwe Amersfoortsche Courant. Daar besloeg het feuilleton eveneens drie kolommen, van de vijf, maar liep op de tweede pagina nog eens over alle vijf de kolommen door. Hier werd de auteur wél met volledig naam genoemd: C.H.P. van Oosterzee. ‘Verloochend’ luidt de titel van haar verhaal. En opmerkelijk: de hoofdpersoon daarvan draagt dezelfde naam als in het verhaal van de concurrent: Emy.

 

Het feuilleton is sinds lang uit de krant verdwenen maar honderd, honderdvijftig jaar geleden verscheen er nauwelijks een krant zonder. Over de achtergrond daarvan is, ook in het Nederlands, aardig wat geschreven, door Joan Hemels onder meer, door Korrie Korevaart en anderen. Uit die literatuur is vrij aardig te destilleren hoe het zover kwam, welke krant ermee begon, welke kranten volgden en hoe het feuilleton zich in de loop van jaren ontwikkelde. De hamvraag blijft in genoemde artikelen echter grotendeels onbeantwoord: waarom? Waarom drukten zo goed als alle kranten, nog wel op de voorpagina, zoiets ‘onjournalistieks’ als een feuilleton? Het simpele antwoord ligt voor de hand: omdat het verkocht, omdat het publiek zoiets wilde lezen. Maar achter dit simpele antwoord schuilt vanzelfsprekend de werkelijke vraag – en die is verre van simpel te beantwoorden: waarom wilde men dat?

Het enige juiste antwoord op deze vraag is dat we het niet weten. Lezersonderzoek is ongeveer het moeilijkste dat bestaat. Destijds werd het niet gedaan. We hebben her en der, in kranten zelf, dagboeken, essays, wel wat opmerkingen die een idee kunnen geven maar veel meer is er niet. Het blijft dus gissen.

Niettemin weten we uit (later) onderzoek wel vrij aardig waarom mensen een krant lazen – verleden tijd, de krant van nu maakt deel uit van zo’n complex mediaveld dat hij een veel specifiekere functie heeft. Veelal is dat om een andere reden dan gedacht. Vanwege het nieuws zullen de meesten onnadenkend zeggen, en vanwege de achtergronden bij en duidingen van dat nieuws. Onjuist is dat niet. Het is echter wel slechts een deel van het antwoord, vermoedelijk zelfs het kleinste deel. De meeste mensen, zo blijkt, lazen de krant om geheel andere redenen. Daaronder: omdat het een ritueel was, omdat ze nieuwsgierig waren naar de dorpsroddels, omdat ze wilden weten wie er gestorven was – en wie er ging trouwen, zich verloofde, een baby gekregen had, omdat ze op zoek waren naar koopjes, omdat ze wilden weten dat Jan Jansen zijn huis te koop had gezet en benieuwd waren naar de prijs, omdat…

Natuurlijk heeft de televisie in de jaren ‘60, ‘70 en later, tot op de dag van vandaag, het nieuws gebracht en was dat een belangrijke functie. Het aantal kijkers van het Journaal is dan ook onveranderd groot. Maar veel groter nog, althans bij elkaar opgeteld, is en was het aantal kijkers naar films, series, spelletjes en talloze andere programma’s die met journalistiek niets te maken hebben. Onder zoveel vermaaksgeweld trok de kwaliteitskrant zich in de laatste decennia van de vorige eeuw terug in het eigen bastion en verkondigde almaar luider wat tevoren door een kleine groep ook al verkondigd was: dat de krant zich vooral bezighield met ‘nieuws’ (feiten, achtergronden, duiding) en aldus de publieke opinie vormde. Al het andere was verwaarloosbaar, niet de moeite waard, kletskoek voor onbenullen.

In de Amerikaanse literatuur is een aardige, in dit verband door Michael Schudson in de wereld gebrachte uitdrukking voor dit misverstand – daar in de eerste plaats door Walter Lippmann, in Europa vooral door Jürgen Habermas verkondigd: progressive of eigenlijk progressivist fallacy. De gedachte dat mensen politieke dieren zijn en het liefst bezig met controleren van de macht, publieke opinie en andere intellectuele zaken. Dat klopt zonder twijfel als het gaat om Lippmann, Habermas en de meesten die dit soort stukjes  lezen. Het klopt niet voor de overgrote meerderheid van de mensen. Die hebben iets anders aan hun hoofd. Die gebruiken media toch echt voor iets anders.    

Hoe dan ook, door dit zeer beperkte beeld op media en publiek, verdwenen een volledige traditie, een belangrijk stuk geschiedschrijving en een interessant besef uit het zicht: dat de krant gedurende zeer lange tijd voor de meeste mensen iets heel anders, ja veel meer was dan een bron van informatie. Hij was een vriend die dag in dag uit even langs kwam en vertelde wat er te vertellen was, feit en fictie door elkaar.

Het feuilleton is van deze notie een fraaie illustratie.

Auteurs

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *