Geloofwaardig schrijven over gekte

Hoe kun je geloofwaardige non-fictie schrijven over psychiatrische patiënten? vraagt Myrthe van der Meer zich af in NrcHandelsblad van 22 maart[1].  Interessante vraag. Vooral omdat het raakt aan de bredere vraag: hoe schrijf je geloofwaardig over mensen die anders denken dan jij en jouw publiek? Van der Meer onderzoekt de vraag aan de hand van drie recente boeken en concludeert dat je niet moet focussen op  ‘de gekte’, maar op  ‘heel de mens’. Ranne Hovius komt in de Volkskrant tot een ander inzicht: het draait vooral om de verteller. Van wie leren we het meest?

Myrthe der Meer schreef zelf twee romans over de psychiatrie:  PAAZ (2012) en Kalf, (2013). In haar boekbespreking in NRC  analyseert ze de volgende boeken: (1) Zal ik u eens wat zeggen? Ontmoetingen in de psychiatrie. Hierin beschrijft geestelijk verzorger Roger Wind zijn ontmoetingen met psychiatrische patiënten. (2) Brein in brand. Hoe mijn lichaam mijn hersenen aanviel, waarin journaliste Susannah Cahalan haar eigen psychoses beschrijft. (3) Vandaag koop ik alle kleuren. Het levensverhaal van een man en zijn psychoses, waarin Karin Anema de schizofrenie beschrijft van een man die ze al schaatsend ontmoette.

Van een afstand

In het eerste boek beschrijft Roger Wind psychiatrische patiënten op een afstandelijke manier. Hij stelt zich op als waarnemer en pretendeert niet in het hoofd van de patiënten te kunnen kijken. “Als gekte onmeetbaar is, dan plaatst Wind als verteller er een menselijke maat naast. Maar dat is wel zijn maat” schrijft Van der Meer. “… de lezer komt niet verder dan het hoofd van de schrijver. De sprong naar wat er in het hoofd van de ander omgaat blijft giswerk. Dat gaat wringen, omdat het juist over de geestelijke toestand van die ander gaat.”

Uit eigen ervaring

Susannah Cahalan slaagt er volgens Van de Meer wel in om de sprong van patiënt naar lezer te maken.  Dat komt vooral omdat Cahalan zelf de patiënt is die ze beschrijft.  Ze kan zowel beeldend over haar wanen schrijven, als ze afstandelijk analyseren.  Op die manier neemt ze de lezer bij de hand naar het land der gekte, en weer terug. “Door de zelfkritiek ontstijgt het boek het niveau van de reisgids langs vreemde hersenpannen met het ziektebeeld als een exotische cultuur.”

Uit het hoofd van de ander

In het derde boek wordt de schizofrenie van de hoofdpersoon vanuit zijn eigen beleving beschreven. “Het is een hoofd vol tegenstrijdigheden en die stomen ongehinderd over de pagina’s”. Van der Meer vindt dat bezwaarlijk. “Iedere vorm van distantie tussen lezer en hoofpersoon is verdwenen maar gek genoeg zorgt juist dát voor verwijdering.” De schrijver moet volgens haar kritisch blijven en de andere wereld van de psychiatrisch patiënt niet als ‘de waarheid’ aan haar lezers voorschotelen. De schrijver moet de gekte als het ware in banen leiden opdat de lezer het kan begrijpen.

Schrijver als brug

Myrthe van der Meer ziet het als taak van de schrijver om als brug te dienen tussen de bekende wereld van de lezer en de andere wereld van de patiënt.  Dat is lastig voor non-fictie schrijvers volgens Van der Meer. Of ze blijven te veel op afstand, waardoor de lezer zich niet met de wereld van de patiënt kan identificeren, of ze tonen te weinig afstand, waardoor de lezer de volkomen vreemde wereld van de patiënt ook niet kan begrijpen.

Fictie is volgens Van der Meer een betere plaats om de wereld van de psychiatrische patiënt te beschrijven. Want in fictie worden psychiatrische klachten meestal niet op zichzelf beschreven, maar als aspect van het menselijk bestaan. De roman biedt het raamwerk dat de gekte voor de lezer begrijpelijk maakt.

Heel de mens

Als een non-fictie schrijver psychiatrische klachten als onderwerp neemt, dan is zij geneigd om zich te focussen op de klacht zelf en dit niet in het bredere kader te plaatsen van iemands levensverhaal. Wil je dan toch een verhaal brengen waarmee lezers zich kunnen identificeren dan zul je als schrijver extra je best moeten doen om de gekte binnen het kader van het algemeen menselijke te plaatsen.  Dat kan wel, zoals het boek van Cahalan aantoont, maar dan moet je als schrijver die gekte zowel kunnen invoelen als duiden. Dat is weinigen gegeven.

Daarom komt Van der Meer met een andere suggestie. “Misschien ligt daar de echte uitdaging voor het psychiatrische boek; niet kritiekloos de ziekte de hoofdrol geven, maar juist de mens in het centrum van zijn verhaal zetten.” Niet alleen de kwaal, maar het hele verhaal. Dat is een mooi advies.

Maar je kunt er ook anders tegenaan kijken.

Niet de patiënt maar de schrijver

In de boekenbijlage van de Volkskrant recenseert Ranne Hovius ook het boek Vandaag koop ik alle kleuren dat volgens Van der Meer geen inzicht geeft in schizofrenie omdat het teveel vanuit het hoofd van de patiënt is geschreven[2]. Hovius vindt dat dit boek juist wél “helpt het inzicht in de verwoestende kracht van schizofrenie te vergroten.”

Hoe kan dat? Iedere recensent haar eigen mening?

Er valt wel wat meer over te zeggen dan dat. In de recensie van Hovius staat, verrassend genoeg, niet de beschreven patiënt Twan centraal, maar de schrijfster Karin Anema. Hovius beschrijft hoe Anema Twan al schaatsend ontmoet op het IJsselmeer, een eindje met hem opschaatst, en als ze een half jaar later een mailtje van hem krijgt, besluit om samen met hem zijn levensverhaal te schrijven. “Voor het eerst is iemand werkelijk geïnteresseerd in zijn leven, zonder vooroordelen en zonder hem als ‘gek’ te bestempelen”, zo beschrijft Hovius Anema’s rol als schrijfster.

Door die houding van Anema wordt niet alleen Twan geraakt, en is dan bereid zijn verhaal te vertellen, ook de lezer wordt geraakt door de oprechte betrokkenheid van de schrijfster, en wil daardoor haar verhaal lezen. Rovius noemt het boek van Anema dan ook een “uit het hart geschreven pleidooi voor werkelijk contact.”

Bemiddelaar

Op één punt komen de opvattingen van Hovius en Van der Meer met elkaar overeen: als je over psychiatrische problematiek schrijft moet je als non-fictie auteur een bemiddelende rol spelen waardoor de vreemde wereld begrijpelijk wordt. Volgens Van der Meer doe je dat door je zowél in te leven in de wereld van de patiënt, als je daar kritisch toe te verhouden, terwijl Hovius die wereld van de patiënt kan begrijpen doordat ze zich kan verplaatsen in de bewogenheid van de schrijfster.

Zo kunnen we de verschillende waardering van het boek van Karin Anema lezen als één advies over hoe je geloofwaardige non-fictie kunt schrijven over werelden die ons vreemd zijn: speel als schrijver een bemiddelende rol. Hetzij door die andere wereld inlevend maar ook kritisch te beschrijven, hetzij door voor de lezer duidelijk te maken wat je eigen motief als schrijver is om dit verhaal te schrijven. En dan wel op zo’n manier dat de lezer denkt: hier is een mens aan het woord.


[1] Myrthe van der Meer. Reizen langs kronkels van psychiatrische patienten. NRCHandelsblad 22 maart.

[2] Ranne Hovius. Ontroerend verslag van het leven met een schizofrenie-patient. De Volkrkant 22 maart 2014