Dze mienink of evveriezink

Wat kun je verwachten van filosofen die twee dagen in een torenkamer van een als kasteel opgetrokken universiteitsgebouw in Ierland tussen in leer gebonden folianten praten over theorie en methode in de sociale wetenschappen? Voor de journalistiek niet veel, zou je denken. Of het zou moeten zijn dat die filosofen voldoende stof leveren om het cliché te bevestigen dat heren met grijze baarden en dames in vormeloze rokken met al hun verwijzingen naar grote denkers niet verder komen dan dze mienink of evveriezink.

Die frase heb ik – zo uitgesproken door een hooggeleerde uit Hongarije – inderdaad opgevangen bij de jaarlijkse bijeenkomst van het International Social Theory Consortium in Cork. Tijdens het spreken keerde deze dame regelmatig de rug naar de zaal, pakte dan een metalen thermosfles, waarna ze haar voordracht met de fles in de hand voortzette, om na enige tijd omstandig de dop los te schroeven, de fles aan de mond te zetten, de dop weer dicht te schroeven en de fles achter zich op de grond te plaatsen, om vervolgens haar gehoor te verrassen met een uiteenzetting over dze smoez moevement of totelletie.

De verleiding is groot om met meer van die anekdotes te komen die het gelijk zouden bevestigen van al die journalisten die schouderophalend beginnen te grijnzen bij alleen al het horen van de naam Habermas. Maar laat ik proberen niet een bestaand beeld te bevestigen, maar iets nieuws naar voren te halen.

Veranderingen beschrijven

Als er een groot thema naar voren kwam in de meer dan vijftig presentaties van dit congres, dan was het wel de vraag: Hoe ontdek en beschrijf je verandering? Net als journalisten proberen sociologen de werkelijkheid te beschrijven. Het eigenaardige van de werkelijkheid is dat ze ook altijd verandert. Hoe krijg je oog voor wat er aan het veranderen is? Hoe kun je dat conceptualiseren en naar buiten brengen? Ook voor journalisten belangrijke vragen lijkt me.

Een beetje lastig misschien dat filosofen dan termen gebruiken als ‘immanente transcendentie’, ‘deconstructie’, of ‘tegenfeitelijke verbeelding’, maar dat hoeft een journalist niet af te schrikken. Ook journalisten gaan op zoek naar die elementen van een systeem die dat systeem van binnenuit veranderen (immanente transcendentie).

Als voorbeeld daarvan is het artikel Gebed zonder end van Alex Burghoorn in de Volkskrant van 18 juni. Door te focussen om een voor de liberale democratie zo belangrijk begrip als de scheiding tussen kerk en staat laat Burghoorn zien hoe de omgang met dat principe de tolerantie eerder schaadt dat baat.

Het zoeken naar elementen van immanente transcendentie – oké, we zullen het anders moeten noemen – lijkt me een mooie nieuwe beroepscompetentie. Net als het vermogen tot deconstructie. Een techniek die zo perfect werd beheerst door Martin Bril, als hij op het oog onnozele kleinigheden van politici wist te beschrijven en daarmee iets wezenlijks over hun politieke attitude wist te zeggen.

De tegenfeitelijke verbeelding zou ook een mooie zijn op het lijstje van beroepscompetenties. Een voorbeeld van het congres in Cork: 11 september was een gruwelijke en grote gebeurtenis die het verdiende uitvoerig door de pers behandeld te worden. Maar – en daar komt de tegenfeitelijke verbeelding – hoe zit het met 11 augustus 2001, wat gebeurde er toen, hoeveel mensen zijn er op die dag in New York overleden? Waar kwam dat door? Wie was daar schuldig aan? Hoe bestrijden we dat? Dan krijg je verhalen over armoede, gezondheidszorg, verkeersveiligheid, waarvoor niet een grote schuldige is aan te wijzen, maar waarvan de aanpak wel veel ellende zou kunnen verkomen. Ook dit is geen onbekende manier van denken in de journalistieke praktijk, maar het kan geen kwaad er meer systematisch aandacht aan te besteden.

De betekenis van het masker

Van de vele frisse ideeën nog een die de kijk van journalisten op hun eigen werk zou kunnen veranderen en die gaat over de betekenis van het masker. Over allerlei sociale gebruiken hebben antropologen theorieën opgesteld, zoniet over het gebruik van het masker. Maar hier is er dan een.

In het sociale verkeer zet iedereen een masker op. Dat versoepelt onze formele omgang met elkaar. De docent doet net alsof hij geen last heeft van een ochtendhumeur, de arts gedraagt zich alsof hij zich niet door persoonlijke voorkeuren laat leiden, en de ambtenaar zet tijdens het werk zijn ambtenaren masker op.

Als binnen een samenleving het idee post vat dat we onze maskers moeten laten vallen, en we ook in het sociale verkeer authentiek moeten zijn, dan wordt daarmee het sociale vernietigd. Als we ook van politici verlangen dat ze hun masker afzetten, vernielen we de politieke sfeer, die juist vraagt om formaliteiten.

Denkend vanuit dat perspectief zouden journalisten er niet op uit moeten zijn te ontmaskeren, maar veeleer het juist gebruik van maskers moeten stimuleren door erop toe te zien dat instituties het werk doen waarvoor ze in het leven zijn geroepen, en dat bureaucraten vooral doen waar een bureaucratie voor is bedoeld: iedereen ongeacht afkomst en persoonlijke voorkeuren gelijk behandelen.

Toch niet gek om af en toe naar filosofen te luisteren.