De comeback van het confronterende interview

Op woensdag 20 maart 2013 daalde Freek de Jonge af van de Olympus, en deelde Zijn inzichten met de massa tijdens Het Grote Interviewgala.  Een paar dagen later drukte de Volkskrant het betoog van de cabaretier af over een volle pagina. De Jonge kaartte een veelheid van onderwerpen aan: variërend van Inquisitie, Hervorming en Contrareformatie via boekdrukkunst, kapitalisme en individualisering tot Peter R. de Vries, Nick & Simon en niet te vergeten De Jonge zelf. Mijn persoonlijke hoogtepunt in zijn betoog: “Een verslaggever die aan de premier vraagt of hij nog geneukt heeft, markeert het einde van het confronterende interview. Geen verstandig mens stelt zich meer bloot aan die schaamteloze brutaliteit.”

Dit kon maar over één interviewer en één geïnterviewde gaan, die overigens geen van beiden door de Jonge met naam genoemd werden: Rutger Castricum vs. Mark Rutte. Anno, eeuh… 9 april 2010. Toen de eerste inderdaad al een onbeschaamde vlegel was, maar de tweede toch echt nog geen premier. Het is een typerende feitelijke onjuistheid, waardoor De Jonge bijna een journalist lijkt. Een slechte wel te verstaan, die maar ook al te goed weet dat je een goed verhaal (hij vraagt aan de premier, de mi-nis-ter-pre-si-dent, of-ie nog geneukt heeft!) nooit moet dood-checken.

Wie de moeite neemt het betreffende interviewtje te bekijken, zal zien dat hier niet het confronterende interview sterft, maar een wedergeboorte beleeft. Mark Rutte, de man die zelf beweert geen mediatraining ontvangen te hebben, wordt namelijk meteen op het verkeerde been gezet door Castricums inderdaad onbeschofte openingsvraag. En blijft daarna demonstratief het antwoord schuldig op de wel degelijk inhoudelijke vervolgvraag: wie de VVD ‘pakt’ (no pun intended) met haar geplande bezuinigingen. Er zijn veel redenen om Castricum te bekritiseren. Maar dit is nou net niet het beste voorbeeld, zou ik zeggen.

‘Nederlandse pers is veel te voorzichtig’ kopte diezelfde Volkskrant op dinsdag 26 maart. Hanco Jürgens, medewerker van het Duitsland Instituut in Amsterdam, schreef die dag dat Nederlandse journalisten zwaar onderdoen voor hun buitenlandse collega’s als het gaat om het interviewen van gezagsdragers. Als voorbeelden noemde Jürgens Jeroen Dijsselbloem, Louis van Gaal en Geert Wilders. Bij deze laatste is het lichtend voorbeeld dat van de Australische televisiepersoonlijkheid Andrew O’Keefe, die Wilders eind februari interviewde tijdens diens bezoek down under.

Jürgens: “Hoewel Wilders uitgebreid de tijd krijgt zijn punt te maken, wordt hij hard bevraagd, tegengesproken en af en toe zelfs uitgelachen door O’Keefe, die Wilders’ waarheden voortdurend in twijfel trekt. Het levert een geweldig hanengevecht op. Een strijd op basis van argumenten.” Wie het interview zelf bekijkt, kan het beamen. Op zeker moment leidt dit zelfs tot een ronduit ijzige woordenwisseling, met uitspraken als “You’re telling me a lie” (O’Keefe) versus “You’re ignorant” (Wilders).

Geweldige TV. Maar, belangrijker lijkt me, een gesprek dat aan het denken zet over islam en christendom, Wilders’ visies, die van O’Keefe en – last but not least –die van jezelf. Het is in sterke mate te danken aan de voorbereiding, intelligentie en vasthoudendheid van ‘AOK’, die nota bene van oorsprong jurist is, TV-entertainer en ‘Bekende Australiër’. Geen journalist dus.

Tussen Andrew O’Keefe en Rutger Castricum in moet het nodige mogelijk zijn aan stevig maar fatsoenlijk confronterend interviewen. Degene die dat in Nederland het beste benadert, is Sven Kockelmann. Wanneer verschijnt Geert Wilders bij Oog in Oog?

 

 

 

Auteurs