Blaffen en bijten in het debat

Het was weer zo’n debat, vorige week donderdag bij Pauw & Witteman. 55 minuten lang staken vijf politici elkaar de loef af met gerepeteerde oneliners of spontane spitsvondigheden. Twee journalisten toonden in hun rol van debatleiders filmpjes met bozige burgers, stelden impertinente vragen en vielen de debaters geregeld in de rede. Opmerkelijk: de aanleiding was lokaal, het gezelschap werkzaam op het Binnenhof. Witteman: “Want wat blijkt, de invloed van Den Haag op het stemgedrag bij de gemeenteraadsverkiezingen is zo groot, dat deze politiek leiders instemden om hier vandaag met elkaar in de slag te gaan.”

Dus deden de landelijke politici verslag van bezoekjes aan Oldenzaal, Delfzijl en Leidse Rijn; spraken ze hun medeleven uit met pompstationhouders te Weert en Maria Hoop; en uitten zij lof dan wel kritiek op wethouders in Eindhoven en Amsterdam. Het leek verdacht veel op shoppen: want weliswaar doen de thema’s ‘werk, zorg, wonen en onderwijs’ er zowel toe in de grote stad als op het platteland (ja, waar niet?), maar het ging die 55 minuten niet tot nauwelijks over dat ene vraagstuk waar alle gemeenten mee te maken hebben: de decentralisatie waardoor zij jeugdzorg, arbeidsmarktbeleid en AWBZ straks dienen uit te voeren. En, voor de kiezer op 19 maart cruciaal… welke keuzen hierbij mogelijk zijn. De opmerking waarmee Witteman drie minuten voor tijd het laatste onderwerp aankondigde, leek dan ook een Freudiaanse verspreking: “We zijn aan het einde van het debat (…) maar we willen nog even terug naar de gemeenteraadsverkiezingen.”

De kritieken in m’n landelijke ochtendblad de dagen erna waren niet mals. ‘Een spookdebat,’ noemde Sheila Sitalsing het in de Volkskrant vrijdag, vanwege de afwezigheid van de hoofdrolspeler in de raadsverkiezingen: de lokale partijen. “(…) vijf landelijke politici op televisie in debat over verkiezingen voor het bestuur van dorpen en steden waar ze niet over gaan, waar ze in talloze gevallen nog nooit zijn geweest en waar we ze, zodra deze strijd gestreden is, voorlopig ook niet zullen zien.” Martin Sommer, een dag later: “De gemeente gaat de dienst uitmaken, maar kan ik dan kiezen tussen meer en minder rollators, minder jeugdzorg of bijstand? Ik heb geen idee, en dat kan kloppen, want dat hebben de partijleiders evenmin.” Of de debatleiders, for that matter…

Vandaag precies twaalf jaar terug vond ook zo’n landelijk debat plaats naar aanleiding van lokale verkiezingen die er nauwelijks in aan bod kwamen. In de nacht na de raadsverkiezingen van 6 maart 2002 leidde Paul Witteman een debat met de lijsttrekkers voor de Kamerverkiezingen die twee maanden later zouden plaatsvinden. Daarbij werd niet eens de schijn opgehouden dat het over gemeentepolitiek ging. Witteman kondigde het destijds – het was inmiddels één uur ‘s nachts – als volgt af: “Dit was het lijsttrekkersdebat en het ging zoals we hadden beloofd over de opiniepeiling voor de landelijke verkiezing.”

Pim Fortuyn was die zesde maart met zijn LPF in één klap de grootste van Rotterdam geworden, en het werd na de dag dan ook ‘de nacht van Fortuyn’, om de woorden van Balkenende uit datzelfde debat te gebruiken. Niet alleen omdat Professor Pim van Witteman alle ruimte kreeg om zijn mededebaters te interrumperen (waarbij hij een begrijpelijke voorliefde aan de dag legde voor zijn aartsvijand Ad Melkert): van de 44 minuten dat het debat duurde, was Fortuyn bijna 14 minuten aan het woord. Alleen Witteman zelf kwam enigszins in de buurt, met negen- en een halve minuut spreektijd.

Belangrijker was de indruk die achterbleef bij de 872 duizend mensen die het debat ‘live’ bekeken hadden, de nog eens 141 duizend die de volgende ochtend naar de herhaling keken, en de miljoenen anderen die de fragmenten zagen die ontelbare keren herhaald werden in andere televisieprogramma’s. Het was het beeld van de onderuitgezakte Melkert die weigerde Fortuyn te feliciteren of hem zelfs maar aan te kijken. Het was De Verliezer Verbeeld, en dan ook nog eens een buitengewoon onsportieve verliezer.

Dat hadden ook de vier grootste landelijke kranten begrepen. In de week na het debat was het doelwit in de vele artikelen die ze aan het debat wijdden, vrijwel steeds diezelfde Melkert. Daarbij ging het niet zozeer om hetgeen de PvdA-leider zei, als wel om wat hij uitstraalde. ‘Puur dedain,’ noemde Redmar Kooistra het in het AD. “Zijn lichaamstaal sprak boekdelen,” schreef De Telegraaf. Bert Wagendorp in de Volkskrant: “Uit zijn nonverbale optreden droop de arrogantie.” En de NRC maakte duidelijk dat de journalistiek zich niet ten onrechte concentreerde op ‘uiterlijkheden’: “In zijn regentesk-arrogante houding illustreerde Melkert exact datgene waartegen Fortuyn nu juist in opstand komt.”

Wat echter door de eensgezinde, eeuh demonisering van Ad Melkert uit beeld raakte, was de rol van de dienstdoende debatleider. Slechts Hans Dijkstal uitte in enkele artikelen kritiek op Witteman, hetgeen gemakkelijk kon worden afgedaan als gepruttel van slechte verliezer nummer twee. Dijkstals punt dat Witteman Fortuyn alle ruimte had gegeven en het debat als geheel uit de hand had laten lopen, was echter niet ongegrond. In 44 minuten was Witteman maar liefst 113 keer aan het woord, waarbij hij tachtig keer interrumpeerde. Dat valt op te vatten als een activistische rolopvatting. Het kan ook worden verklaard uit het feit dat er zes politici aan tafel zaten, waarvan er zich minimaal één niet de mond liet snoeren, en de overige vijf slechts met moeite.

Minstens zo opvallend wanneer je het optreden van de journalist-ter-plekke analyseert, is de agressie waarmee deze zijn debaters tegemoet trad. De interrupties zijn daarvan al een indicatie. Veelzeggend is ook het feit dat 35% van Wittemans vragen suggestief was en bijna een kwart van zijn inhoudelijke interventies confronterend. Zie de vraag die Witteman aan D66-leider De Graaf stelde: “Het einde van Paars vanavond toch, of niet?” Hiermee is niet gezegd dat Witteman partijdig was. Ook Fortuyn kreeg te maken met interrupties, suggesties en kritische vragen. En er valt wat te zeggen voor een debatleider die zich als blaffende of desnoods bijtende waakhond gedraagt tegenover politici die het liefst hun hele verkiezingsprogramma zouden declameren.

Zoals Annemarie Walter en Philip van Praag in een recent artikel in het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap betogen, is een dominante en sturende debatleider in Nederland de norm sinds de verkiezingen van 1994. We zien dit weerspiegeld – of preciezer gesteld: uitvergroot – in het debat van 6 maart 2002, dat Walter en Van Praag overigens niet analyseerden. De ‘premiersdebatten’ van RTL in de vijf verkiezingen vanaf dat jaar, evenals de Nationale Lijsttrekkersdebatten van de NOS, bevestigen dit beeld. Uit mijn eigen analyse blijkt dat in deze debatten de debatleider gemiddeld ruim 2,5 keer per minuut aan het woord was. In zo’n 60% van die gevallen betrof het een interruptie.

Aan kop gaat wat dat betreft nog steeds het lijsttrekkersdebat van 3 januari 2003. Hierbij viel Frits Wester zijn debaters in 70 minuten 198 keer in de rede. Aangezien veel van Westers interventies opiniërend waren (of leken), kwam daar kritiek op. Zo schreef Dick Pels in de NRC: “Sommige interviewers (…) zijn zo dwingend aanwezig dat ze het debat ernstig verstoren.” En: “Het leek alsof een vijfde politieke partij was aangeschoven: de Lijst Frits Wester (…)”. Wat echter ook opvalt, is dat het aantal openlijk kritische vragen of opmerkingen in geen enkel debat de overhand heeft. Maar in zo’n elf procent van alle gevallen waarin de debatleider aan het woord komt, zoekt deze het conflict op. Wat in Nederlandse debatten nauwelijks gebeurt, is het direct ter verantwoording roepen van politici. Zulke vragen komen maar elf keer voor in alle tien de geanalyseerde debatten samen. Misschien vertrouwen de journalisten erop, en niet ten onrechte, dat politici elkaar wel de maat zullen nemen. Wat u heeft gedaan, meneer Rutte… Nee dan u, meneer Roemer…

Ironisch genoeg vinden we relatief de meeste van zulke verantwoordingsgerichte vragen in een tv-uitzending die alom is weggehoond als voorbeeld van hoe het níet moet: het RTL-debat van 27 april 2002, de vaderlandse geschiedenis ingegaan als het Soundmixshow-debat. Het feit dat het plaatsvond in de pauze van de Soundmixshow-finale was al een veeg teken: de opkomst van de ongelukkige gladiatoren op een catwalk, begeleid door een ronkende voice-over (Hierrr is: Ad Melkert!), de zelden relevante bijdragen van Loretta Schrijver en Henny Huisman (“Wie vond je nou al het leukste lopen?”) en de tientallen minuten durende onderbrekingen voor commercials en gesprekjes met Soundmixkandidaten deden de deur dicht.

Het debat werd unaniem afgebrand. ‘Een politieke Jerry Springer Show’, schreef het AD. Rob Hoogland verdeelde in De Telegraaf zijn kritiek over organisatoren, debatleider en debaters: “Waarom durfde niet één lijsttrekker te zeggen dat hij dit een belachelijke vertoning vond?” ‘Triomf van de platitude,’ kopte Paul Brill in de Volkskrant. En de NRC trof eens te meer doel bij wat het ‘een pauzenummer’ noemde: “Wie van spektakel houdt, komt zo inderdaad aan zijn trekken. Maar het heeft niets te maken met de kern van elk politiek debat: verantwoording afleggen voor het verleden en plannen maken voor de toekomst.”

Hier bleek niet alleen dat journalisten wel degelijk kritisch kunnen zijn op hun eigen beroepsgroep (al reserveren ze die kritiek bij voorkeur voor de geachte collega’s). Er bleek ook een grens te bestaan voor de debatleider als dompteur en de politicus als logge leeuw die zich desgevraagd door een hoepel wurmt. Zo’n debat hebben we dus in de twaalf jaar erna niet meer gezien. Het debat van vorige week donderdag roept echter wel een sterk verlangen op naar wat meer journalistiek-politieke verbeelding. Naar een debat bijvoorbeeld tussen de politici van een willekeurige gemeente met het soort problemen dat zoveel andere gemeenten ook hebben, over de echte keuzes waarvoor zowel deze politici als hun kiezers staan. Een debat waarbij de journalist even assertief als respectvol optreedt, en soms de beste keuze maakt door even zijn mond te houden en achterover te leunen. Overigens ben ik van mening dat het reuze jammer is dat ook ik nu de lokale politiek heb misbruikt om mijn punt te maken.

Dit artikel verscheen eerder vandaag in De Nieuwe Reporter onder de kop ‘Hoe debatleiders al 20 jaar hun stempel drukken op verkiezingsdebatten’.

 

 

 

 

Auteurs