Becoming a Journalist

 

De journalistiek is bezig aan een grote metamorfose en moet zichzelf opnieuw uitvinden. Vanzelf spreekt dat deze ontwikkeling ook grote gevolgen heeft voor journalistieke beroepsopleidingen. Zij leiden immers de journalisten van morgen op. Maar doen ze dat ook daadwerkelijk, of lopen ze (hopeloos) achter? Een bijdrage aan het vinden van een antwoord op die vraag is de in 2016 verschenen bundel Becoming a Journalist, Journalism education in the Nordic countries, van Hovden, Nygren en Zilliacus-Tikkanen (eds.). Uitgegeven door NORDICOM.

De bundel bevat twintig bijdragen verdeeld in vier hoofdstukken. (A Nordic Model, Professional (re) orientations, meeting the challenges, Meeting the field) Allen gebaseerd op recent wetenschappelijk onderzoek naar het journalistiek onderwijs in de noordelijke landen. De onderzoeksresultaten zijn in veel gevallen heel herkenbaar en relevant voor Nederland, omdat zowel onze media als ons onderwijs in hoofdlijnen grote overeenkomsten vertonen met de situatie in de noordelijke landen.  Het boek toont de worsteling tussen vasthouden aan traditionele journalistieke idealen en normen enerzijds en het omarmen van tal van technologische- en bedrijfseconomische –innovaties anderzijds. Daarom is Becoming a Journalist een interessante bundel voor een ieder die bezig is met currthe_cover_becoming_a_journalist__01iculumontwikkeling binnen het journalistiek onderwijs.

Interessante onderzoeksresultaten uit de bundel zijn o.a.:

De vier trends, in 2015 geformuleerd door Martin Eide, die het uitgangspunt voor de gehele bundel vormen. A de-industrialization of journalism ( als gevolg van de ineenstorting van traditionele verdienmodellen en de digitalisering van het productieproces). An increasing need for the justification of journalism (de roep om meer publieke verantwoording en transparantie). A participatory turn (veranderende relaties tussen professionele journalisten en amateurs). A changing cognitive framework among professionals for understanding journalism (veranderende werkwijzen en taakopvattingen).

In New Times, New Journalists?, beschrijven Hovden en Ottosen het resultaat van het Hovdabrekka project. Een serie surveys uit 2005, 2008 en 2015 onder 5000 studenten journalistiek uit de noordelijke landen. Waarin zij ingaan op de grote mate van onzekerheid waarin studenten journalistiek zich bevinden. Zullen ze een baan vinden? Aan wat voor soort journalistiek is er nu –en over tien jaar- behoefte en aan wat voor soort journalist? Waarbij zelfs de vraag gesteld wordt of de traditionele media het zelfde lot beschoren is als de Dodo.

Aansluitend hierop geeft Gunar Nygren in Journalism education and the profession, vier voor het journalistieke onderwijs, bruikbare typen professionele idealen. De Activist – Educator, De Entertainer, De Advocate of justice, en  de Neutral reporter. Nygren concludeert o.a. dat professionele journalisten meer waarde hechten aan neutraliteit en het afbakenen van de journalistieke professie, dan studenten journalistiek. Die minder hechten aan de traditionele begrenzing van het vak en tevens een activistischer houding hebben. Ze willen invloed uitoefenen en actiever deelnemen aan de samenleving dan alleen louter het handhaven van hun professionele autonomie.

In Perfect Profession, laten Hultén en Wiklund zien hoezeer journalistiek onderwijs onder druk staat. Door zowel de toenemende commercialisering, de roep om kostenreductie en de groei van multimediaplatforms, staat niet alleen de journalistiek zelf onder druk, maar ook het journalistiek onderwijs. De status quo lijkt niet langer te handhaven. Opvallend hierbij is echter dat uit surveys en interviews blijkt dat zowel studenten journalistiek als hun docenten grote waarde blijven hechten aan de traditionele journalistieke waarden en standaarden. In die zin vervullen de opleidingen journalistiek een conservatieve rol. Terwijl de markt vraagt om vernieuwing.

In From politics on Print to online Entertainment, gaan Möller Hartley en Bendix Olsen eveneens in op de vraag of opleidingen trouw moeten blijven aan traditionele journalistieke vormen en idealen, of meer moeten focussen op de realiteit in het werkveld en de trends in de media-industrie. Opleidingen moeten er voor waken dat de kloof tussen journalistieke traditionele journalistieke idealen en ‘’the world out there’’ niet zo groot wordt dat studenten gedesillusioneerd en verward raken, zodra zij de opleiding verlaten. Het stellen van de vraag lijkt het antwoord in zich te dragen.

In More mobile, more flexible, bespreken Eliasson en Jaakkola hoe journalistiek opleidingen binnen het onderwijs gebruik kunnen maken van het mediagebruik van hun studenten. Dit kan het uitgangspunt vormen voor een cross-media pedagogy. Zweedse studenten journalistiek blijken bijvoorbeeld veel actievere online prosumers dan hun leeftijdgenoten en hebben de beschikking over veel media technologie. Ze zijn dus meer mobiel en meer flexibel dan eerdere generaties studenten en het onderwijs kan hier gebruik van maken. Zij moeten het ‘media-diet’ van hun studenten niet alleen zien als een privé aangelegenheid, maar er actief gebruik van maken als uitgangspunt binnen het onderwijs. Drie geformuleerde aandachtspunten zijn; Het media ownership van studenten, hun active readership en hun cross-media behaviour. De auteurs adviseren opleidingen daarom om systematisch onderzoek te doen naar het mediagebruik van hun studenten.

De vraag Is this a Good News Story? Staat centraal in de bijdrage van Gravengaard en Rimestad. Zij hebben gekeken naar het dubbele socialisatieproces dat studenten journalistiek doormaken. Enerzijds het socialisatieproces op hun opleiding, anderzijds het socialisatieproces tijdens hun stages. Twee processen die soms conflicteren. Met name als het gaat om de vraag wat goede journalistiek is. Leren studenten op school wel hetzelfde als wat van hen gevraagd wordt tijdens hun stages? De auteurs komen, op basis van participerende observaties, semigestructureerde interviews en een enquête tot acht realistische en praktische factoren, die zowel bruikbaar zijn in de klas, als op een redactie.

Tot slot, gaat Astrud Gynnild in Developing journalism skills through informal feedback, in op de ontwikkeling van een moderne feedback tool, die heel bruikbaar is in het Journalistiek onderwijs. Het onderzoek laat zien dat het gebruik van dit feedback instrument studenten helpt beter te verbaliseren wat nodig is om de kwaliteit van hun werk te verhogen. Het instrument heet Peer-to-peer-informal feedback (PIF) en is gebaseerd op systematische mini-interventies tijdens praktijklessen.  Doel er van is dat het bijdraagt aan een meer ondernemende en innovatieve mindset van studenten. Self monitoring en a lifelong learning staan hierbij centraal. In plaats van de traditionele top down feedback van docent aan student gaat het hier om positieve informele peer to peer feedback. Die kan zorgen voor een positievere werksfeer en optimisme bij het zoeken naar oplossingen van problemen waar studenten mee kampen tijdens hun leerproces.

Concluderend kunnen we stellen dat al deze recente wetenschappelijke bijdragen uit de noordelijke landen een uitstekend kader vormen voor het verder voeren van het debat in Nederland over de toekomst van het journalistiek onderwijs, vanuit heel verschillende perspectieven. Een aanzet hiertoe kan zijn de expertmeeting journalistiek hoger onderwijs in februari in Utrecht. Datum en tijdstip volgen binnenkort.  M.S.

Auteurs