25 jaar digitale transitie in de journalistiek 4: eerste zelfstandige stappen, vol twijfel

De experimenten in De Digitale Stad plus berichten uit het buitenland (VS) zorgden in de loop van 1994, 1995, 1996 voor tal van journalistieke experimenten en veel beroering. Het NRC Handelsblad komt dankzij Dick van Eijk en Dirk Limburg de eer toe de eerste krant te zijn geweest die zelfstandig, dus niet onder de een of ander paraplu zoals een digitale stad, het net op te zijn gegaan. Dat gebeurde (voor zover te achterhalen, er is van dat moment geen materiaal bewaard gebleven) in juli 1995. Een half jaar later, op 6 februari 1996, volgde De Telegraaf. Weer een paar maanden later, 6 of 7 mei 1996, ging de Volkskrant het net op. Ondertussen meldden zich ook de eerste kranten die geen papieren editie (meer) hadden. Dit geldt om te beginnen de in 1992 overleden (De) Krant op Zondag. Hij keerde in april 1996 terug,  op  internet. Opmerkelijker nog, en betekenisvoller ook voor de toekomst, waren de avonturen van het digitale ‘tijdschrift’ Ouders online. Het werd eveneens in mei ’96 actief. Overigens moet hier wel bijgezegd worden dat deze eerste stappen van de geschreven media voorafgegaan werden door nog eerdere stappen van enkele audiovisuele media, de VPRO voorop. Hierover volgt t.z.t. nog een apart blogje. 

Een van de oudste nog vindbare online pagina’s van De Telegraaf

Houtje touwtje

De verhalen van die eerste journalistieke stapjes op het internet zijn amusant. ’Houtje-touwtje en heel veel gepruts,’ staat in het NRC-artikel waarin die beginfase gememoreerd worden. Bij de Volkskrant, De Telegraaf en elders was het niet anders. ‘Talloze malen bleek ‘s morgens dat de inhoud van de krant, die automatisch overgezet zou worden van het veilige redactiesysteem naar “die jongens en meisjes van internet”, ergens was blijven haken,’ herinnerde Theo Stielstra, de eerste chef internet van de Volkskrant, zich twintig jaar later.

Op een ochtend was zelfs de hele website onvindbaar. Uit de lucht. Error 404 voor iedereen die www.volkskrant.nl had ingetikt. Pas in de middag werd de oorzaak achterhaald: een schoonmaker in een kantoorpand in Houten, waar de webserver veiligheidshalve stond, had tevergeefs een leeg stopcontact gezocht voor zijn stofzuiger en had de stekker van de server er even uitgetrokken.

Voorbeelden hadden we niet, we moesten echt alles zelf bedenken en uitvoeren,’ herinnert ook pionier Marco van der Laan van De Telegraaf zich. En ook hij vertelt het verhaal van een overijverige schoonmaker. In dit geval zwiepte hij een kabeltje ereruit.

Geen verbinding, en ja dan wordt internet dus niet “bezorgd”.

Welles-nietes in Orlando

Belangrijker dan de ervaringen, althans belangrijker voor de toekomst, was de vraag wat dit nu allemaal betekende. Het enige juiste antwoord hierop is dat niemand het wist en dat men daarom des te meer speculeerde. De toonhiervan was een jaar eerder, in maart 1995, in Orlando gezet, tijdens een internationaal congres van krantenbazen. Op dat congres klonken twee diametraal tegengestelde geluiden. Het ene was van de voorzitter van de Newspaper Association of America (NAA), het andere van de (Europese) Newspaper Publishers Research Association, het ene van een Amerikaan, het andere van een Europeaan.

Eerstgenoemde, Charles Brumback, betoogde dat kranten geen keus hadden. De oplages liepen terug, het publiek las minder, keek meer, de technologie veranderde, kortom de geschreven pers kon niet anders dan voorop lopen bij de digitale ontwikkelingen.

De Zwitserse uitgever Michael Ringier was het hier volstrekt mee oneens en opperde enkele van de bezwaren die sindsdien steeds weer geopperd zijn: dat op internet geen cent te verdienen valt, dat het bekende er steeds weer rondgepompt wordt, dat informatie en journalistiek niet hetzelfde is en dat lezers gewend zijn aan eenmaal per dag een zorgvuldige selectie voorgeschoteld te krijgen – en niet 24/7 de mogelijkheid hebben desgewenst zelf een of ander bericht in te kijken.

Brumback schudde bij zoveel Europees conservatisme het hoofd en zei:

if we don’t create a service like that, whether we know it or not, it is being produced by other people.

Ofwel: als wij het niet doen, doen anderen het.

Welles-nietes in Wassenaar

Ook in Nederland klonken dergelijke geluiden – het ene zowel als het andere. Zo hield het Bedrijfsfonds voor de Pers, voorloper van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek, in dezelfde maand maart 1995 een bijeenkomst in Kasteel Oud Wassenaar. Op deze bijeenkomst spraken kenners uit binnen- en buitenland, voorafgegaan door de staatssecretaris van OC&W, Aad Nuis. De achtergrond van de conferentie was conform  hetgeen op hetzelfde moment in Orlando werd gezegd.

In diverse opzichten doen zich momenteel op het terrein van de folio-communicatie [leuk woord trouwens, cvdh] allerlei opzienbarende ontwikkelingen voor… Sommigen huldigen de opvatting, dat technologie in elk nieuw tijdperk steeds een belangrijke katalysator is voor vele nieuwe ontwikkelingen… Nieuwe elektronische media en netwerken kunnen het mogelijk maken, dat het oude ideaal van een publiek democratisch debat beter wordt verwezenlijkt dan kranten, radio en televisie dat kunnen… Anderen wijzen er daarentegen op, dat in onze informatie- samenleving mensen de kans lopen door de overvloed van informatie steeds minder geïnformeerd te raken. Bovendien bestaat het gevaar, dat men steeds minder van dezelfde informatie kennis neemt. Publiekssegmentatie neigt over te gaan in fragmentatie, waardoor de media steeds minder een nationale forumfunctie kunnen vervullen en het aantal gemeenschappelijke podia waarop burgers elkaar als staatsburger ontmoeten, terugloopt. 

Kortom,

Het maatschappelijk debat lijkt bedreigd. De gedrukte pers lijkt daarbij op een kruispunt van wegen te zijn aangekomen.’

Oudste online pagina van De Groene Amsterdammer

Gewoon doen

Het zal niet verbazen dat de conclusie van de bijeenkomst het uitgangspunt bevestigde, met als gevolg dat de aanwezige journalisten onder wie de hiervoor genoemde pionier Dick van Eijk van het NRC Handelsblad toch enigszins teleurgesteld achterbleven. ‘Alsof de krant het eeuwige leven heeft,’ stond boven zijn artikel van 16 maart 1995. Niettemin bleef het voor de journalisten zelf voorlopig een kwestie van ‘gewoon doen’, zonder zicht op waar dat toe leidde. Zie bijvoorbeeld wat men ‘deed’ bij het eerste en voorlopig ook enige opinieblad dat op internet actief was, de Groene Amsterdammer. Daar kreeg je in de loop van 1996 digitaal zelfs al een kijkje op de redactie.

Met een digitale camera trekt de eind- en webredacteur van de Groene Amsterdammer, Marianne van den Boomen, door de redactieruimtes van het weekblad. De bezoeker van de vernieuwde website van de Groene ziet zorgelijke gezichten op de abonnementenadministratie en leest dat op het kantoor van scheidend hoofdredacteur Martin van Amerongen altijd klassieke muziek klinkt vanwege het lawaaierige toilet dat aan zijn kamer grenst. Ook met de buurman op de trap maakt de bezoeker kennis. Fotograaf Bob Bronshof werkt niet alleen in het pand, hij woont er ook.

Maar het gevaar lag op de loer, precies zoals Brumback aangegeven had: als wij het niet doen, doen anderen het. Daarover, in het bijzonder over nu.nl, de volgende keer.