Papier hier, papier hier!

Léés die krant toch! Dat was vorige week de kop boven het verhaal in de Volkskrant over het vernieuwde Parool. De krant blijft altijd bestaan. Zo luidde een andere kop op donderdag 11 februari, ook in Volkskrant. Dit betrof een ingekorte versie van de Machiavellilezing van de hoofdredacteur van diezelfde krant, Philippe Remarque. Het was alsof ik Holle Bolle Gijs in Efteling hoorde roepen: papier hier, papier hier!

Eerst een bekentenis: ik las beide stukken in de krant. Omdat ook ik nog altijd een liefhebber ben van journalistiek op papier. Ik kan niet voorspellen hoe lang ik dat nog zal doen en hoe lang er nog kranten zullen zijn. Maar dat kan helaas niemand. Het gaat mij dan ook om iets anders, namelijk om de vraag of de online mogelijkheden van redacties wel voldoende worden benut. En daarover gaat dit blog.

Online mogelijkheden
De hoofdredacteuren van Het Parool en van de Volkskrant blijven benadrukken hoe belangrijk de krant toch is, én dat dit papieren product er überhaupt nog is anno 2016 (in tegenstelling tot de internetgoeroes die anders hebben voorspeld). Maar benutten deze betrouwbare – en daarmee waardevolle – journalistieke merken de online mogelijkheden voldoende? Zodat ze ook relevant kunnen blijven, of misschien beter gezegd: kunnen worden, als papier toch niet langer rendabel blijkt te zijn. Wordt er op deze redacties net zoveel aandacht besteed aan online journalistiek als aan de journalistiek in de krant? En met net zoveel aandacht bedoel ik niet dat alle stukken ook online verschijnen (na het nodige plak-en-knipwerk), maar dat er daadwerkelijk wordt geëxperimenteerd met nieuwe journalistieke (vertel)vormen, dat er aandacht is voor interactie met het publiek. Dat er tijd en ruimte wordt vrijgemaakt om na te denken over de manier waarop het vak verandert en hoe mensen nu – én over 10 jaar – nieuws tot zich nemen? Wordt er gesproken over het feit dat de huidige crisis in de journalistiek in de kern niet gaat over nieuwe verdienmodellen, maar over het afnemende gebrek aan vertrouwen in journalisten bijvoorbeeld? Lees in dat kader ook vooral dit stuk in Trouw van 11 februari j.l. (en ja, dat las ik dan wel weer online, via Blendle weliswaar).

Gefrustreerde journalisten
De hoofdredacteuren zelf zullen op die vraag – of ze daar voldoende aandacht aan besteden – hoogstwaarschijnlijk volmondig ‘ja’ zeggen. Maar hoe kan het dan zo zijn dat ik met enige regelmaat (online)redacteuren van deze kranten spreek die daar heel anders over denken? Die aangeven dat 80% tot 90% van alle tijd en aandacht nog altijd uitgaat naar het vullen van pagina’s. Dat ze leidinggevenden nauwelijks kunnen betrappen op fundamentele ideeën met oog op een digitale toekomst. Dat de journalisten die wel een visie hebben op online, langzamerhand gefrustreerd raken omdat ze geen kans krijgen om die plannen ook uit te voeren, en dat een deel daarvan om die reden ook vertrekt (dikwijls naar media die wél echt bezig zijn met digitale journalistiek).

Over de nieuwe plannen van Het Parool liet ik al eerder mijn licht schijnen. Nu de nieuwe site er is, kan ik zeggen dat deze zeker is opgeknapt. Maar zit er ook een journalistiek inhoudelijke visie achter? Op welke manier staan de journalisten (online) in contact met hun publiek en hoe komen verhalen tot stand? Wie zijn de journalisten die mij deze verhalen vertellen? Ik zie soms een naam staan, maar nog vaker zie ik ‘bron: ANP’ of zelfs ‘bron: Parool’. Waarom wil niemand zijn of haar naam aan die stukken verbinden? Omdat ze niet goed of onderscheidend genoeg zijn? Waarom staan ze dan online? Waarom hebben de Parool-verslaggevers geen eigen pagina’s? Zoals dat ook alle geruime tijd bij Het FD gebeurt, en ook bij het Dagblad van het Noorden krijgen de verslaggevers binnenkort een eigen pagina. Ik sluit me daarnaast aan bij de verbazing van Ernst Jan Pfauth (‘Ik begrijp helemaal niets van Het Parool’). Die zich afvraagt waarom de krant maar niet los kan komen van de wereld buiten Amsterdam. Zet in op je niche! Doe waar je echt goed in bent, dat zou ook mijn advies zijn.

Roep om online aandacht
Gelukkig betoogt de hoofdredacteur van de Volkskrant in de Machiavellilezing dat het niet gaat om het voortbestaan van de krant in papieren vorm, maar om de inhoud ervan en dus om het belangrijke werk van redacteuren. De kop van de lezing is daarom misleidend, maar geeft ergens dus ook de indruk dat dit toch de stille wens is van Remarque. Wat niet wil zeggen dat de Volkskrant stilstaat, in tegendeel. De redactie van de Volkskrant experimenteert met regelmaat met vertelvormen, met multimediale producties (die op Volkskrant.nl overigens wel goed zijn weggestopt in het menu achter ‘meer’ en ‘specials’) en ze hebben structureel een developer op de redactie aangenomen. Dat zijn de betere ontwikkelingen!

Maar ook op de redactie van de Volkskrant moeten online redacteuren blijven roepen om aandacht. Dat blijkt uit mijn proefschrift waarvoor ik in 2011 enkele maanden op de redactie heb rondgelopen (niet alleen bij de Volkskrant, maar ook bij de FD Mediagroep en bij NOS Nieuws). En ja, dat is alweer even geleden. Maar de online redacteuren ervaren ook nu nog de dominantie van de krant. Zo moesten ze in het weekend van de aanslagen in Parijs er bijvoorbeeld heel hard aan trekken om de rest van de redactie niet in de reflex van de maandagkrant te laten schieten. Laten we nou eerst de online nieuwsconsument goed bedienen gedurende het weekend, moesten zij meermaals benadrukken. Zo’n strijd is anno 2016 dus nog steeds aan de orde (op meer redacties in Nederland).

Wat betekent goede journalistiek?
Uiteindelijk gaat het om deze opmerking die Remarque in zijn lezing poneert: dat het niet gaat om de vorm (een facebookfilmpje of een krantenartikel), maar om de vraag wat goede journalistiek betekent voor mensen. Juist de definitie van goede journalistiek is aan verandering onderhevig. De oorzaak daarvan is niet slechts een technologische; krantenoplagen daalden al voor de opkomst van het internet. Goede journalistiek is daarom ook niet inherent aan online, maar aangezien wij mensen wel steeds meer online zijn, liggen daar ook veel kansen en oplossingen. Laten we die vooral benutten. De technologie dicteert niet ons gedrag, mensen bepalen nog altijd hoe we technologie inzetten en benutten. De journalistieke veranderingen gaan dan ook om een veel bredere, cultureel maatschappelijke verandering. Ontwrichting vindt plaats in meerdere sectoren (zie bijvoorbeeld de ontwikkelingen in – en parallel met – de politiek, waar Jouke de Vries vandaag een interessant stuk over schreef in de Volkskrant). Verdienmodellen en platformen zijn slechts hulpmiddelen om daar een nieuwe weg in te vinden.

Laten we daarom vooral over die vraag – wat goede journalistiek is, en wat een goede journalist – blijven praten, discussiëren en nadenken. Omdat er juist op dat vlak behoefte is aan frisse ideeën. En zullen we de journalisten die daar een goede visie op hebben ook de kans geven om dat waar te maken? Zodat de huidige journalistieke merken zoals de Volkskrant en Het Parool, inderdaad nog een lang leven beschoren blijft. Op welk platform dan ook.

 

2 comments