regionaal, journalistiek, bobby schinkel, innovatie

Zo zetten regionale dagbladen nieuwe media in

Volgens de nieuwsbrief van De Mediamonitor 2015 staan de regionale dagbladen flink onder druk. Jongeren volgen het nieuws online en lokale edities verdwijnen. De toekomst ligt in nieuwe media, maar de regionale dagbladen kunnen hier nog de nodige stappen zetten.
Door Bobby Schinkel

Online zitten jongeren volgens De Mediamonitor veel op Youtube. Online video maakt een flinke groei door en mediabedrijven als Sanoma/SBS en Bertelsmann/RTL zetten hier dan ook flink op in. Bij het Brabants Dagblad werd de afdeling video juist wegbezuinigd. Het Youtube-kanaal is al maanden niet meer actief en op de website speelt video slechts een beperkte rol. De meeste filmpjes bestaan uit korte clips zonder montage of voice-over. De krant had ervoor kunnen kiezen om op Youtube een jongerenplatform op te zetten. Met vlotte vlogs of filmpjes met verslaggevers zou het dagblad de jeugd kunnen informeren over wat er speelt binnen de regio. Een goede manier om jongeren in een vroeg stadium aan de krant te binden.

Investeren in online

Maar financieel leverden video’s de redactie van het Brabants Dagblad niet genoeg op. Het moest worden betaald uit de inkomsten van de papieren krant. Daar schuilt precies het probleem van digitale innovatie bij de regionale dagbladen. De commissie Brinkman schreef hierover in 2009 al:

“De angst voor kannibalisatie van de eigen omzet op de traditionele markt heeft als rem gewerkt op innovatie en leidde tot terughoudendheid”

Dat is terug te zien in het nieuws dat dagbladen op de website aanbieden. Dit jaar verscheen het onderzoek Nieuwsvoorziening in de regio. Hieruit blijkt dat regionale dagbladen online aanzienlijk minder nieuwsartikelen plaatsen dan in de papieren krant. Daarnaast bewaren redacties de primeurs en de beste artikelen voor de papieren krant, uit angst dat ze online worden overgenomen door aggregatiesites. Dat laatste beschrijft ook Kees Buijs in zijn boek Regiojournalistiek in Spagaat, waarvoor hij de editieredacties van regionale dagbladen enkele maanden onderzocht. Hij schrijft: “De redacties investeren kwalitatief en kwantitatief voluit in de productie van de papieren krant, terwijl de website hier duidelijk bij achter blijft”.Wegener gaf eerder al aan volledig digital first te willen werken, maar dat lijkt in de praktijk dus niet altijd te gebeuren.

Ook zag Buijs hoe de kans om crossmediaal te werken vaak gemist wordt tijdens het ochtendoverleg. Op de editieredactie Arnhem van De Gelderlander was de internetredacteur zelden aanwezig bij dit overleg, zo bleek uit het onderzoek. Die moest op dat moment namelijk ook de website bijwerken. Een kleine aanpassing in de werkplanning zou hier dus al verbetering kunnen bieden.

Experimenteren met verdienmodellen
Inmiddels experimenteren uitgeverijen TMG en Wegener met premium content en digitale abonnementen om online te verdienen. Zo is alle content van het Noordhollands Dagblad inmiddels te bekijken via de premium website. De krant belooft er filmpjes, audiobestanden en columns. Bij alle digitale abonnementen ontvang je automatisch de zaterdageditie in de bus. Een volledige ovestap is het dus nog niet.

Kampioen digitale abonnementen is momenteel The New York Times. Een miljoen digitale abonnees leveren de krant jaarlijks in totaal 185 miljoen dollar op. Het is nog niet voldoende om de redactie er volledig mee te kunnen betalen, maar wel een belangrijke stap richting de toekomst van betaalde online journalistiek. Dat geldt ook voor initiatieven als De Correspondent en Blendle, die zichzelf online proberen terug te verdienen.

Maar het Noordhollands Dagblad is geen New York Times of Correspondent. Hoewel uit onderzoek van PricewaterhouseCoopers blijkt dat burgers graag betalen voor online regionale journalistiek, is het nog maar de vraag of zij voldoende opbrengen om een volledige redactie te betalen. TMG schrijft in het jaarverslag over 2014 dat het aantal volledig digitale abonnees nog beperkt is. De toekomst moet uitwijzen of dit verdienmodel dus voldoet.

Interactie met het publiek
Nieuwe media kunnen een grote rol spelen in de communicatie met het publiek. Via e-mail en social media is de drempel om een krant of individuele verslaggever aan te spreken aanzienlijk verlaagd. Om het contact met het publiek te bevorderen, zet het Brabants Dagblad de naam en het e-mailadres van verslaggevers bij artikelen.
Online bieden de regionale dagbladen lezers de kans om te reageren onder artikelen. Dit kan er immers voor zorgen dat een verhaal na de deadline gaat leven en er discussie ontstaat. Deze reacties worden graag gelezen door de redacteuren, zo merkte Buijs op in zijn boek. Maar een reactie van de redacteur hoeft het publiek in de meeste gevallen niet te verwachten. Buijs schrijft: “Met die reacties wordt vervolgens in de meeste gevallen weinig tot niets gedaan. Een Tilburgse redacteur:

‘Het lijkt alsof we de discussie aangaan met lezers, maar het is eigenlijk niet meer dan een uitlaatklep voor ze.’

Op social media ziet Buijs hetzelfde beeld. Redacteuren volgen graag anderen, maar gewone lezers volgen ze niet. Tweets die ze van deze lezers ontvangen worden dan ook zelden geretweet. Als de redacteuren al een Twitteraccount gebruiken, want bij de helft van de redacteuren op editieredactie Tilburg was dit niet het geval. Zij gaven in het onderzoek van Buijs aan het nut er niet van in te zien. Dat is zonde, omdat Twitter de online aanwezigheid van redacteuren aanzienlijk kan vergroten.
Men zou een voorbeeld kunnen nemen aan redacteuren van De Correspondent. Zij promoten hun publicaties actief via social media en maken tijd vrij om na publicatie met de lezers in discussie te gaan. Om het gesprek te starten stellen zij onder elk geschreven artikel een concrete vraag. De lezers kunnen aan hun reacties expertisetitels toevoegen om aan te geven vanuit welke autoriteit zij over een onderwerp spreken.

Journalisten die na de deadline het gesprek aangaan met de lezer vergroten niet alleen hun zichtbaarheid naar het publiek, maar zorgen ook voor nettere discussies onder artikelen. Dat bleek uit Amerikaans onderzoek. Wanneer een journalist zich mengde in een discussie onder zijn artikel, bleek dit de kans op scheldpartijen met 15% te verminderen. Het Brabants Dagblad koos ervoor het anoniem reageren volledig aan banden te leggen, omdat redacteuren geen tijd hadden om alle beledigingen te modereren. Het illustreert hoe regionale dagbladen graag gebruik willen maken van nieuwe media, maar dat redacteuren er geen extra tijd voor gunnen.

Succes met crowdsourcing
Uiteraard zijn er ook veel voorbeelden te noemen waarbij het uitstekend lukt via nieuwe media de interactie met het publiek aan te gaan. Zo hadden redacteuren van editieredactie Bommelerwaard van het Brabants Dagblad het idee dat het aantal inbraken toenam. De politie kon geen cijfers bieden, dus besloot de krant middels crowdsourcing onderzoek te doen. Zij kregen veel reacties vanuit het publiek, waarmee vervolgens diverse nieuwsartikelen werden geschreven.

Ook het AD weet het publiek middels crowdsourcing te bereiken. Met het ‘Grote Buurtonderzoek’ wisten zij maar liefst 100.000 reacties binnen te halen. In ruil voor een proefabonnement vulde het publiek 34 vragen in over de eigen buurt. De 18 regionale redacties van het AD gingen hiermee aan de de slag en publiceerden over de uitkomsten.

De regionale dagbladen doen dus wel degelijk hun best om gebruik te maken van de kansen die nieuwe media hen te bieden hebben. Ze experimenteren met verdienmodellen en zetten crowdsourcing vakkundig in. Maar het ontbreekt in veel gevallen nog aan structurele investeringen om alle kansen, zoals die van online video, te benutten. Maar ook kleine veranderingen, zoals het reageren op lezersreacties en het beter plannen van crossmediale producties, zouden een stap in de goede richting zijn.

Bobby Schinkel studeert journalistiek aan de Hogeschool Utrecht en verdiepte zich tijdens het afstudeertraject in nieuwe media en regionale journalistiek. Op freelancebasis werkt hij als crossmediaal programmamaker. – @bobbyschinkel