Zijn media-onderzoekers ‘still afraid of infotainment’?

Vijftien jaar geleden publiceerde Kees Brants van het huidige Amsterdamse Center for Politics and Communication een spraakmakend artikel over het snijpunt tussen politiek of burgerschap en infotainment. Titel: Who’s afraid of infotainment? Suggestie: bijna iedereen die het met de democratie goed voorheeft, heeft bezwaar tegen infotainment.

‘Usually the picture is as bleak as the topic is hot,’ schreef Brants. En: ‘because competition forces public broadcasters [Brants heeft het vooral over tv] to adapt to the wishes of the (politically less interested) consumers, they will contribute to the growth of the turned-off voter. It is a scary causal link which taps the lifeblood of democracy.’

Vorig jaar publiceerden een drietal wetenschappers onder wie Brants jongere collega Claes H. de Vreese een artikel dat onmiskenbaar bedoeld was als een stap verder in het onder meer door Brants aangezwengelde debat. Uit dat artikel blijkt dat de mening over het snijpunt tussen infotainment en politiek cynisme niet zoveel veranderd is. Nog steeds zijn de meeste onderzoekers van mening dat ‘zacht nieuws’ bijdraagt aan een maatschappelijk minder gewenste houding terwijl voor actief burgerschap ‘hard nieuws’ vereist is.

‘Theories of media malaise state that system¬atic patterns of political reporting discourage trust in political leaders, reduce active citizenship and undermine confidence in the political system,’ schrijven De Vreese c.s. En: ‘Few scholars mention potential positive influences that infotainment might have on citizenship and democracy.’

Desondanks zetten de auteurs twee stappen verder in het debat over infotainment en politiek cynisme. De ene is dat zij het fenomeen infotainment preciseren en met name een onderscheid maken tussen – wat zij noemen – nieuws-privatisering en nieuws-personalisering. In het eerste geval, de aandacht voor politieke schandalen en het privéleven van politici, zo stellen zij, is infotainment ongunstig voor het politiek klimaat. In het tweede geval, de vertaling van maatschappelijke problematiek in individuele verhalen, gunstig want maakt lastige thematiek inzichtelijk.

De tweede stap die De Vreese c.s. zetten is dat zij hun bewering empirisch ondersteunen. Tot op heden was het infotainment debat vooral theoretisch. Systematisch onderzoek als dat van De Vreese brengt daar verandering in.

Het onderzoek van De Vreese c.s. is kenmerkend voor een belangrijke tendens in het huidig onderzoek naar media-effecten. Niet alleen rukt de zachte journalistiek c.q. het zachte nieuws aan alle kanten op, ook groeit het onderzoek naar de maatschappelijke en politieke betekenis van dit soort nieuws. De meest opmerkelijke illustratie hiervan is de snel toenemende aandacht voor celebrity-studies en celebrity-news. Daarover binnenkort. Maar er is veel meer en gezien de opmerkelijke toename van zacht nieuws kan dat ook haast niet anders.

Toch ziet het ernaar uit dat de belangrijkste bijdragen op dit gebied niet van media-onderzoekers maar ‘buitenstaanders’ (zie bijv. hier en hier) komen. Alsof media-onderzoekers er toch niet aan willen want liever vasthouden aan het klassieke beeld van de journalist als waakhond en de journalistiek als een discipline die zich eerst en vooral bezighoudt met (zie het belangrijke schema van Sparks, p. 12 van deze link, hieronder in bewerkte vorm) maatschappij, politiek en economie. Vandaar dat het vooral onderzoekers uit de hoek van de culturele studies, reclame, antropologie, sociologie en de geschiedenis zijn die op dit gebied met nieuwe inzichten komen. Het is de vraag of media-onderzoekers hiermee niet een belangrijke boot missen.

Schermafbeelding-2013-09-04-om-15.06.57-300x221

bewerkte versie van het schema van Sparks, de door hem onderscheiden categorieen lopen door elkaar, het onderscheid prive & publiek verdwijnt terwijl de aandacht van de journalistiek verschuift. Media-onderzoekers blijven echter kopschuw voor deze verschuiving

 

Auteurs