Waarde van journalistiek na aanslag op Charlie Hebdo. Zelfreflectie op School voor journalistiek

Ook op de School voor Journalistiek leeft de vraag: wat doen met de aanslag op Charlie Hebdo? Directeur Hans de Clercq had daarom een bijeenkomst georganiseerd voor docenten om het daar eens over te hebben.

In een klaslokaal worden tafels en stoelen tot een vierkant aaneengeschoven. De Clercq komt binnen met een beker yoghurt waarop een plastic bolletje met muesli zit. Hij zet dat op een tafel en verbindt z’n laptop met de beamer. Even later staat er een lijst met punten op de muur. Consequenties voor het vak van journalist. Duiden of de waarheid brengen? Grenzen aan de vrijheid?

“De vraag is wat doen we na 7-1,” zegt De Clercq

“7-1?”, roept iemand, “We hebben het niet over een voetbaluitslag. 7-1 dat is niks. Net zoals 9-11, of 11-9 niks is. Noem de dingen bij hun naam. We hebben het over de aanslag bij Charlie Hebdo.”

“Dat is genoteerd,” zegt De Clerq

“Ik zou eerst wel eens willen weten wie die posters uit de gang heeft weggehaald?” roept een ander. “Volgens mij weet jij daar meer van.”

De Clercq weet dat er Mohammedposters zijn verwijderd, maar weet niet wie het heeft gedaan.

Gemor.

Sommigen willen antwoord, anderen willen verder.

“Dit is niet het moment om elkaar de maat te nemen,” wordt er geroepen.

Docenten vertellen over hun ervaringen in de klas de eerste dagen na de aanslag. Over studenten die vinden dat je niet onbegrensd mag beledigen. “We weten geen zak van die cultuur. Hoeveel kun je je dan een menig veroorloven?” had een student zich afgevraagd. Sommige studenten vinden dat journalisten bruggenbouwers moeten zijn. Anderen huiveren daarvan. Dat leverde “een boeiende discussie op” die eindige in “een prettig soort verwarring.”

Angst

Er was gesproken over de idealen van de Verlichting, en waren cartoons op voorpagina’s van studentenproducties gezet. Maar er was ook angst. “Lekker vak heb jij gekozen,” had een moeder tegen haar zoon gezegd. Anderen wilden weten waarom er geen veiligheidspoortjes zijn op school. Ja, want als je de journalistiek wilt treffen, waar kun je dan beter zijn dan op de School voor Journalistiek?

“Er is veel stemmingmakerij in de journalistiek,” zegt een docent. “Gewoon omdat journalisten zelf bang zijn.”

Ook de andere onderwerpen komen voorbij. Waarom niet meer aandacht voor de slachtoffers van Boko Haram? Waarom niet meer verontwaardiging over Breivik?

Er wordt geopperd dat dit een gebeurtenis is waarin veel thema’s zitten die onze samenleving bezig houden. Waar nog eens bij komt dat journalisten zich direct geraakt voelen.

“We moeten over de herrie heen stappen,” zegt Hans de Clercq. “Hoe gaan we verder. Wat betekent dit voor ons?”

De een wil meer journalistieke ethiek, praten over vrijheid van meningsuiting, de ander wil een keuzevak over moslims, of een vitrine met voorbeelden van journalisten die het leven lieten ter wille van de vrijheid van meningsuiting. Of meer kennis van de maatschappij. En het lectoraat zou een lijst moeten leveren met onderzoek naar radicalisering.

Dan loopt het tegen vijven. “Hoe gaan we verder?” vraagt een docent.

“Ik ga hier nu geen lijstje met actiepunten opstellen,” zegt De Clercq. “Kom met ideeën zou ik zeggen. Dan kijken we wat we doen.”

 Journalism studies

Ideeën over hoe het verder moet met de journalistiek. Daar is vaker over nagedacht. Onderzoek naar de rolopvatting van de journalist is een geliefd onderwerp bij wat tegenwoordig journalism studies heet. Wat kunnen we daarvan leren?

Bij de kenniskring journalistiek onderzoekt Remko van Broekhoven opvattingen over de waakhondfunctie in de journalistiek. Een van de dingen die hem zijn opgevallen, is dat politieke verslaggevers het ongemakkelijk vinden om zichzelf als ‘waakhond van de democratie’ te zien. Zulke grote woorden willen ze liever niet gebruiken. Laten we bescheiden zijn over wat we tot stand kunnen brengen, is de teneur.

Zo denken meer journalisten over hun vak. Nieuws brengen en kritisch zijn, dat is al heel wat. Of de democratie daarmee is gediend? Laten we het hopen. Weet jij wat dat is? De democratie? Kun je daar als journalist wat aan verbeteren? Sinds Joris Luyendijks Het zijn net mensen, en de opkomst van de burgerjournalist zijn we daar minder uitgesproken over geworden.

Zombie

Mark Deuze, hoogleraar journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam, heeft zijn hele wetenschappelijke loopbaan onderzoek gedaan, nagedacht en gepubliceerd over de rol van de journalist. Twee jaar geleden kwam hij op de SvJ uitleggen dat de journalist een zombie is. Iets wat hij ook beweert in zijn boek Media Life.

De journalist als zombie is misschien minder raar dan het klinkt. Wat Deuze zegt te bedoelen is dat de journalist zowel dood als levend is. Het vak is inmiddels zo breed en er zijn zoveel verschillende mensen die uit verschillende motieven iets journalistiekerigs doen, dat je moeilijk meer over de journalistiek als een af te bakenen professie kunt spreken. Maar het beeld van de journalist die het spoor bijster is, zit waarschijnlijk niet onbedoeld in deze wat ongemakkelijke metafoor.

Al die onduidelijkheid over het beroep van journalist staat het bestaan van een opleiding in het vak (voorlopig) niet in de weg. We hebben ook nog een beroepsvereniging, en zoiets als de Raad voor de Journalistiek. En een Mark Deuze die studenten opleidt tot onderzoeksjournalisten, die hij een soort “super burgers” noemt, omdat ze volgens hem een basiswaarde van onze maatschappij tot leven brengen, namelijk de vrijheid van meningsuiting.

Ongemak

Maar wat die journalisten voor een invloed hebben, en of ze helpen de democratie op peil te houden, dat kan en wil Deuze niet zeggen. De centrale stelling van zijn boek is dat we in de media leven. Ons hele leven wordt zo gevormd door de media dat je niet meer kunt zeggen hoe we er door worden beïnvloed. Wij zijn de media.

Dat ongemak, dat je niet meer kunt zeggen hoe het zit met de relatie tussen media en samenleving, werd ook verwoord in het WRR rapport Waarden, normen en de last van het gedrag uit 2003. Het vormt de weerslag van een onderzoek naar de waarden die wij in onze samenleving delen, en probeert antwoord te geven op de vraag hoe het debat over waarden het best gevoerd kan worden in het licht van de culturele verschillen in onze samenleving.

Trots

Je kunt niet meer zeggen of de media de samenleving beïnvloeden of andersom, staat in het WRR-rapport. De WRR trok daar destijds niet de conclusie uit dat journalisten maar aan moeten rommelen, omdat het toch niet duidelijk is wat hun invloed is. Juist niet. Journalisten zouden trots moeten zijn op hun vak. Niet alleen omdat ze een mooi beroep hebben, maar omdat burgers daarvan profiteren. Want, als het goed gaat met de instituties, dan gaat het goed met de samenleving, is de teneur van het rapport. De media vormen bij uitstek de institutie om zelfstandig de democratische verhoudingen uit te dragen. Journalisten moeten, net als andere professies, hun verantwoordelijkheden op zich nemen en de doelen en waarden die ten grondslag liggen aan hun beroep zo goed mogelijk vervullen.

Identiteitscrisis

Van zo’n zelfbewuste houding is het na 2003 niet gekomen. De technologische ontwikkelingen en de opkomst van de sociale media hebben de twijfel over de eigen rol in de samenleving alleen maar doen groeien. Gerenommeerde journalisten laten weten dat ook zij niet zien waar het met hun vak heen moet.

“Massamedia zijn een zelfscheppende macht geworden, waarin journalisten ondergeschikt zijn”, schreef Folkert Jensma in NRC Handelsblad (1 feb. 2007) Journalistiek ziet hij als een economische activiteit die drijft op de wisselende voor- en afkeuren van het publiek.

Ook volgens Jensma’s collega Marc Chavannes is het gedaan met de autonomie van journalisten. Hij ziet nog wel een democratische taak voor ze weggelegd, maar dan op internet, en in samenspraak met de lezer en de kijker. De sociale functie van de ‘oude media’ wordt volgens hem overgenomen door vriendschap- en ontmoetingssites.

 Iedereen journalist

Daarin staat Chavannes niet alleen. Bij elk stuk over de rol van de journalistiek op het platform voor journalistiek debat, denieuwereporter, kun je een reactie verwachten waarin staat dat journalistiek niet alleen iets is van journalisten. Zoals in deze reactie van Marco Raaphorst op Remko van Broekhovens artikel over verantwoorde journalistiek.

Ik wil een belangrijke kanttekening hierbij [het artikel van Van Broekhoven] plaatsen: het gaat om de journalistiek in de breedste zin des woords! In allerlei landen worden bloggers letterlijk gemarteld. Dus sluit deze personen ook niet uit. Beperk je niet tot de oude term journalistiek zoals die alleen voor professionals gold. Sterker nog: op sociale media spreekt vrijwel iedereen zich over deze kwesties uit. Dus beter: het gaat ons allen aan.

Opnieuw positie bepalen

Goed, journalistiek is van alles, iedereen kan eraan doen. Wat de media voor de samenleving betekenen, kunnen we niet meer uitvogelen nu de media een integraal onderdeel van ons leven zijn geworden.

Zo’n jas is natuurlijk veel te ruim voor een opleiding journalistiek. Daar verzuip je in. Niet iedereen zal dat betreuren. De wereld redt het ook zonder scholen voor journalistiek. Maar nu ze er nog zijn, en verder willen, is de aanslag op Charlie Hebdo misschien een goede rede om in die brei die journalistiek heet, positie te bepalen. Hoe is dat in Nederland eerder gedaan?

Jan Blokker

De journalist Jan Blokker deed het op 5 maart 1992. Hij hield toen een rede bij het bekleden van de Maarten Rooij-leerstoel voor journalistiek aan de Erasmus Universiteit. onder de titel ‘De kroon en de mestvork; enige opmerkingen over de pers en haar vrijheden.’

Blokker begint zijn rede met citaten van grote denkers over de waarde van het nieuws. Zo citeert hij Voltaire die elke gazet die hem onder ogen kwam ‘een vergaarbak van onbenulligheden’ noemde. Vervolgens haalt hij Diderot aan die in zijn Encyclopédie zegt: ‘Al deze bladen zijn voer voor de onwetende, troost voor wie wil meepraten zonder te hoeven nadenken, en een gruwel voor ieder die z’n hersens gebruikt.’

Ook haalt Blokker Multatuli aan die zegt: ‘Ik lees geen krant zonder dat me ‘t bloed kookt bij ‘t ontwaren van zoveel bedrog aan den enen kant, van zoveel schandelijke begrips-zelfmoord aan de andere zij. ‘t Is moeilijk te beslissen wat groter verbazing wekt, de onnozelheid dergenen die met zulk voedsel voor de ziel tevreden zijn, of de brutaliteit waarmee schrijvers op die onnozelheid staat maken.”

Mestvork

Blokker gebruikt deze citaten om te laten zien welke speelruimte de journalist heeft. De journalist staat in z’n werk bloot aan heel wat beperkingen. Hij wordt beperkt door z’n eigen intellectuele vermogens, door de organisatie waar hij voor werkt, door de cultuur van de redactie en door de wensen van het publiek. Maar dit alles doet volgens Blokker niets af aan de uiteindelijke waarde van het nieuws: “feiten te veroveren op een vijand die ze niet wil afstaan.”

Tot zover de mestvork: het wroeten in de prut en bagger van de samenleving in de hoop daarmee op materiaal te stuiten dat de journalist in staat stelt het j’accuse uit te spreken tegen de machthebbers.

De ander taak van de journalist heeft met de kroon te maken, het verspreiden van licht dat het publiek in staat stelt zich te ontworstelen aan een toestand van bijgeloof en docile gehoorzaamheid.

Daarmee heeft Blokker de twee klassieke taken van de journalistiek genoemd: kritisch volgen van de macht en de emancipatie (zelfontplooing) van de burger.

Journalistiek als gesprek

Ongeveer in dezelfde tijd dat Blokker zijn rede houdt laat ook filosoof Cornelis Verhoeven zich uit over de taak van de journalistiek in een boek dat hij in opdracht van het ANP schreef. Hij noemt daarin naast de door Blokker genoemde functies nog een andere functie van de journalistiek: het onderhouden van het gesprek van de samenleving met en over zichzelf.

Verhoeven is aanvankelijk sceptisch over de waarde van het nieuws. Wijzen en moralisten, zegt hij, hebben de nieuwsgierigheid, die toch de levensvoorwaarde voor de journalist is, steeds als ondeugd afgewezen. “In hun beschouwingen is de nieuwsgierigheid altijd gericht op het bijkomstige en de schijn en is er geen enkele verband tussen die schijn en wat zij als wezenlijk beschouwen.” Nieuws is in deze visie niet meer dan gebabbel tussen voorbijgangers over voorbijgaande zaken.

Verhoeven deelt de visie van de wijzen en moralisten uiteindelijk niet – niet omdat ze ongelijk zouden hebben, maar omdat zo’n visie getuigt van een “gevaarlijke vorm van conservatisme en zelfs van levensmoeheid.” In Verhoevens visie is nieuws er niet zozeer om de waarheid te brengen, nee, “het nieuws is er (…) voor de gemeenschap of voor de kring waarbinnen het van belang is het weten en menen onderling af te stemmen en het aan te passen aan de nieuwe situatie (…) De wisselende onderlinge werking van die kringen bepaalt het belang van het nieuws.” Nieuws is wat zich voordoet, waarover verteld wordt en dat vervolgens tot gespreksstof dient.

Het Lippmann – Dewey debat

Wat Blokker en Verhoeven zeggen over de taken van de journalistiek was ruim vijftig jaar eerder ook de inzet van een discussie tussen twee Amerikaanse filosofen die beiden ook als journalist werkten: Walter Lippmann en John Dewey.

Lippmann en Dewey plaatsen het debat over de rol van de journalistiek in het kader van de publieke opinie. Door hun fundamentele beschouwingen keren hun namen telkens terug als inspirators van journalistieke stromingen na hun tijd, zoals precision journalism, solutions journalism, peace journalism en civic journalism. En ook vandaag de dag als het gaat om de rol van journalist als facilitator.

Geen methode

Volgens Lippmann moet je van de journalistiek niet vragen een directe bijdrage aan de democratie te leveren. Daarvoor is de journalistiek niet geschikt. Want, anders dan de wetenschap, beschikt de journalistiek niet over een methode om de waarheid te brengen. Wat journalisten zeggen, kan altijd op honderd verschillende manier worden gezegd.

His [the journalists] version of the truth is only his version. How can he demonstrate the truth as he sees it? He cannot demonstrate it.

Journalisten kunnen een gebeurtenis signaleren, maar over de betekenis daarvan kunnen ze niets zeggen. Daar hebben ze de middelen niet voor. Een journalist, zegt Lippmann, kan van een plant zeggen dat de eerste blaadjes boven de grond komen. Maar hij kan niet zeggen hoe de plant wortel schiet. Daar heb je wetenschap voor nodig, biologie in dit geval, die met theorieën werkt, en die de eigen kennis volgens vaste regels onderzoekt en bijstelt.

Instituties

Wat journalisten wel kunnen doen, volgens Lippman, is de waarheid, die door de wetenshap wordt gevonden, vertalen voor het grote publiek.

They [journalisten] can fight for the extension of reportable truth, but they don’t bring truth for themselves.

Verder kunnen journalisten ertoe bijdragen dat de instituties die democratie mogelijk maken, zo goed mogelijk werken. Dat betekent dat journalisten mensen binnen die instituties op hun verantwoordelijkheid wijzen. Journalisten moeten dan goed op de hoogte zijn van de manier waarop instituties werken. Goede journalistiek was volgens Lippmann voorbehouden aan een maatschappelijke elite. Mensen met kennis van zaken, gecombineerd met het inzicht in hun eigen beperkingen. Die opstelling heeft Lippmann niet bij iedereen geliefd gemaakt.

Dewey

In zijn boek The Public and its problems neemt John Dewey stelling tegen Lippmann. Volgens hem onderschat Lippmann niet alleen de rol van de journalistiek in de samenleving, maar overschat hij ook de rol van de wetenschap. In Deweys ogen had de wetenschap mensen weggedreven van de dingen waar het werkelijk om gaat. Volgens hem was de journalistiek noodzakelijk om het publiek met zichzelf in contact te brengen en te confronteren met de handelingen van politici. Het doel van de journalistiek is niet alleen om het publiek te informeren over wat er gebeurt, maar vooral om bestaande kennis, waaronder ook wetenschappelijke kennis, naar buiten te brengen, opdat die kennis beoordeeld kan worden op het belang dat het heeft voor het publiek. Het is de taak van de pers volgens Dewey, om duidelijk te maken hoe we tegen de wereld aankijken.

The press has a role in helping determine what will be taken as our shared understanding of the social world.

Hoe de pers dat zou moeten doen heeft Dewey nooit uitgelegd. Anderen hebben dat wel gedaan. Zoals John Carey, de godfather van de in 1990 begonnen public journalism beweging.

Liberale en socialistische journalistiek

De ontwikkeling in het denken over de rol van de journalistiek na 1930 wordt vaak gedaan (o.a. door McQuail) aan de hand van de drie basis waarden van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijk en broederschap Aan de ene kant ontwikkelt zich een liberale stroming, die zich vooral laat inspireren door de vrijheid. Aan de andere kant zie je journalisten waarvoor het principe van de broederschap belangrijker is.

Fundament van de liberale stroming is het idee dat de journalist de feiten brengt en dat het publiek zelf bepaalt wat het daarmee doet. Objectiviteit in de verslaggeving is hierbij een voorwaarde. Journalisten en denkers binnen deze stroming voelen zich verbonden met een empirisch wetenschappelijke manier van denken. Voor deze journalisten is, naast vrijheid, waarheid de belangrijkste waarde.

Dat journalisten volgens Lippmann geen methode hebben om de waarheid te achterhalen, wordt niet als probleem ervaren. En de mensen die zich wel van dit dilemma bewust zijn geven als oplossing dat je in ieder geval moet proberen om zo objectief mogelijk te zijn.

Precision Journalism

Iemand uit de liberale hoek die zich sterk heeft gemaakt voor journalistiek als een vorm van wetenschap is Philip Meyer. Grappig genoeg beroept Meyer zich daarbij op Walter Lippmann, omdat die wetenschap zo belangrijk vindt. Meyer gaat er gemakshalve aan voorbij dat Lippmann zegt dat de journalist gebruik moet maken van de wetenschap door de resultaten van de wetenschap te populariseren, niet door zelf een soort wetenschap te bedrijven.

Maar ondanks, of dankzij, die verdraaiing van Lippmanns woorden, heeft Philip Meyer veel bijgedragen aan de liberale opvatting van journalistiek dat de journalist objectieve feiten moeten brengen waarover het publiek zelf een mening kan vormen. Meyers boek Precision Journalism waarvan de eerste druk in 1973 verscheen, is lange tijd verplichte stof geweest op veel Amerikaanse opleidingen journalistiek.

In 1993 verscheen er een nieuwe versie van het boek The new precision journalism, waarin Meyer de banden tussen journalistiek en wetenschap nog wat nauwer aantrekt.

The new precision journalism is scientific journalism. It means treating journalism as if it were a science, adopting scientific method, scientific objectivity, and scientific ideals to the entire process of mass communication.

Deze strenge opvatting heeft veel goed gedaan voor de liberale opvatting van Journalistiek, ook al nemen weinig journalisten de strenge opvatting van Meyer over. Het idee dat het publiek vooral gebaat is met objectieve feiten, is lange tijd de heersende journalistiek ideologie.

Sociale ethiek

Ondertussen zijn er altijd journalisten actief geweest waarbij het maatschappelijk engagement sterker was dan de behoefte om objectieve journalistiek te bedrijven. Maar door het ontbreken van een samenhangende ideologie voor hun manier van werken beroepen zij zich vaak op het adagium van objectiviteit.

In de jareIn 90 verandert dat. Dan verschijnen boeken als “Good News, social ethics and the press van Cliff Christians en anderen, waarin de liberale journalistiek wordt verweten maatschappelijk steeds minder relevant te worden. Het argument is dat journalisten die zich alleen op vrijheid en waarheid beroepen, en principieel geen standpunt innemen over de maatschappelijke waarde van hun werk, ongewild speelbal worden van commerciële krachten.

Wat je daar tegenover zou moeten zetten, beweren mensen als Christians, is die andere waarde uit de trits van de Franse Revolutie: broederschap. Journalisten zouden er zich voor moeten inzetten dat hun werk er ook daadwerkelijk toe leidt dat mensen meer te zeggen krijgen over hun eigen leven.

In dat klimaat ontwikkelt zich de ideologie van de public journalism beweging, waarbij de aandacht van de journalist verschuift van het weergeven van feiten naar het inventariseren van maatschappelijke problemen waar het publiek mee worstelt. Gezamenlijk wordt dan gezocht naar oplossingen.

Inmiddels is public journalism volgens sommigen verwaterd tot een vorm van publiek gebabbel waarbij iedereen kan roepen wat hij wil. Wat niet wil zeggen dat het idee dat journalisten beter moeten luisteren naar het publiek een algemeen aanvaard principe is geworden. Soms leidt dat tot puur commercialisme, maar het zet ook aan tot initiatieven als De Correspondent, waar ze hun best doen om op een inhoudelijke manier een sterke band met de lezers te creëren.

Ondernemende journalistiek

En dan hebben we ook nog zoiets als ondernemende journalistiek. Ook iets waar de opleidingen journalistiek niet omheen kunnen. De opleiding Windesheim heeft daar nu een eigen lector voor: Andra Leurdijk. In haar lectorale rede op 22 januari, zei ze dat ze niet weet waar de journalistiek over 10 jaar staat, maar wel weet wat de nieuwe generatie journalisten nu moet doen: werken aan nieuwe verdienmodellen, handig omgaan met sociale media, leren werken met data en visualisaties en vooral goed communiceren met het publiek.

Maar de bredere horizon van de betekenis van de journalistiek voor de samenleving lijkt in het stralend licht van de nering drijvende journalist aan het zicht onttrokken te worden. Niet meer van deze tijd.

Charlie Hebdo

Maar dan worden er 12 journalisten vermoord. Omdat ze zeggen te staan voor een van die waarden waar het de journalistiek om te doen is: de vrijheid van meningsuiting. Uit schrik over die gebeurtenis, gaan journalisten her en der posters van Mohammed ophangen, om op die manier zich weer verbonden te voelen met een van de waarden die aan de oorsprong van hun beroep ligt.

Met die acties is pijnlijk duidelijk geworden dat we niet meer begrijpen waar die oorspronkelijke waarde voor staat. Namelijk dat vrijheid niet alleen het recht is om te roepen wat je wilt, maar vooral de mogelijkheid om te kiezen voor een manier van samenleven die je het beste dunkt. Een waarde die het noodzakelijk maakt dat je rekening houdt met anderen, en zoekt, overlegt en nadenkt over de manier waarop je zo’n samenleving het best kunt organiseren.

Voor zo’n maatschappelijk gesprek kan de journalistiek een bemiddelende rol vervullen door te laten zien wat er leeft in een samenleving, hoe de regels werken, waar ze worden overtreden, en waar nieuwe initiatieven toe leiden.

Kennis van zaken

Dat vraagt niet alleen om vrijheid van dwang, maar vooral om kennis van zaken. Volgens welke regels werkt onze samenleving? Welke nieuwe opvattingen bestaan daarover? Hoe onderzoek je of de regels werken? Hoe bevorder je dat mensen daarover in gesprek raken?

Houdt dat in dat je op een school voor journalistiek zwaar moet inzetten op politicologie, geschiedenis, filosofie, en dat soort vakken?

Ik denk het niet. Om het levendig en gericht te houden, zou je de zaken waar het om gaat, zoals regelgeving, democratische controle, efficiency van bestuur, in journalistieke vragen moeten verwerken. En van daaruit studenten aanzetten om zich in dit soort zaken te verdiepen.

Het hart van de opleiding komt dan bij de journalistieke vraagstelling te liggen. Geef aan om welke vragen het gaat, welke vertelvormen daarbij passen en wat voor een onderzoek daarbij hoort.

Gebeurt dat niet allang? Natuurlijk. Daarom wordt er vaak ook goed werk geleverd. Het zou alleen systematischer kunnen, vanuit het besef dat het gaat om de vragen die raken aan de manier waarop we willen samenleven.

Utrechtse methode

Ingewikkeld om te organiseren? Het zoveelste ei van Columbus? Dacht het niet. We hebben op school al zoiets ontwikkeld bij de redactie onderzoeksjournalistiek en noemen het de Utrechtse Methode. Uitganspunt is dat er vooral een grote verscheidenheid aan onderwerpen en verhaalvormen aan bod moet komen. Maar dan wel vanuit het besef dat er relevante vragen moeten worden beantwoord. Zoals: is dit rechtmatig, rechtvaardig, schadelijk, gelogen, of een vorm van ondeskundig gedrag? Wat brengt iemand er toe om dit te doen? Wat levert het op? Voor wie, en voor wie juist niet? Hoe leven mensen? Wat zijn hun waarden en waar leidt dat toe?

Het zijn het soort vragen dat ook werd gesteld bij de de redactie van de New York Times in de 48 uur na de aanslag op Charlie Hebdo. Dat leidde tot een stroom van zinvolle verhalen die door groepen journalisten werden gemaakt. Ze konden snel werken omdat ze wisten welke vragen je moet stellen en hoe je daar het best over kunt berichten. Hier zijn wat voorbeelden:

Dat is goede journalistiek. Journalistiek die stof biedt voor een gefundeerd maatschappelijk debat. Journalistiek die z’n engagement niet hoeft te uiten door het publiceren van spotprenten die eerder door anderen met andere bedoelingen zijn gemaakt.

Als de aanslag op Charlie Hebdo iets voor de toekomst van de journalistiek betekent, dan is het dat het helemaal niet zo ingewikkeld is om vast te stellen wat goede journalistiek is. Journalistiek is een gespecialiseerde expertise gericht op het onderhouden van een geinformeerd publiek debat. Dat je dat in iedere tijd met andere middelen doet, en steeds weer uitzoekt hoe je die middelen het beste inzet, hoort bij de intellectuele integriteit van het beroep. Dat het niet gemakkelijk is om die goede journalistiek te bedrijven, is duidelijk. Maar daar heb je dan ook scholen voor journalistiek voor.

schema waardeontwikkeling

Waardenoriëntatie in de journalistiek

Genoemde boeken
  • Jan Blokker. (1992). De kroon en de mestvork – enige opmerkingen over pers en haar vrijheden. Amsterdam: De Harmonie.
  • Cliff Christians. (1993). Good news. Social ethics and the press. Oxford: Oxford University Press.
  • John Dewey. (1927). The Public and its problems. New York: H. Holt.
  • Mark Deuze. (2012). Media Life. Cambridge: Polity Press.
  • Walter Lippmann. (1922). Public Opinion. New York: MacmillanCornelis Verhoeven, (1996). De duur van de actualiteit. Budel: Uitgeverij Damon.
  • Denis McQuail. (1992). Media performance. Mass communication and the public interest. Londen: Sage publications.
  • Philip Meyer (1991). The New Precision Journalism. Bloomington en Indianapolis: Indiana University Press.
  • Philip Meyer. (2002). Precision Journalism. Reporters Introduction to Social Science. 4th Rowman & Littlefield Publishers, Inc.

 

 

 

 

3 opmerkingen

  • Tanja va Bergen

    Mooi betoog Piet. En herkenbaar, want die Utrechtse Methode was er dan ook al begin jaren tachtig, toen ik op de destijds nog SvdJ – School voor DE Journalistiek 😉 – de beginselen van het vak bijgebracht kreeg.

    In werkgroep na werkgroep (cursus was in de Palmstraat een vies woord), telkens opgezet rond journalistieke vragen, leerden we werken met sociologie, politicologie, economie etc, zonder dat zo’n vak ooit zo genoemd werd. Mooi voorbeeld: een werkgroep over de ontzuiling met parallel daaraan een onderzoek naar de veranderingen in de signatuur van Nederlandse dagbladen.

    Ik heb door die Utrechtse Methode vooral geleerd vragen te stellen, over alle onderwerpen, hoe ingewikkeld ook. Dat klinkt misschien als niet veel, maar het is het juist wel. En daarom mis ik het in het schema.

  • @Tanja van Bergen. De term “Utrechtse Methode” is deels als knipoog bedoeld – de idealen van de Franse revolutie uitmondend in het journalistieke onderwijs van de SvJ – deels als verwijzing naar een methode die we bij de redactie onderzoeksjournalistiek gebruiken, waarbij het aantal mogelijke vragen beperkt is tot 12. Dat werkt goed. Stof voor een volgend verhaal. Overigens: niet Piet maar Gerard schreef dit stuk.

  • Tanja van Bergen

    @Gerard, in de aanloop tot het nieuwe curriculum (het vorige nieuwe curriculum dus) hadden we het in de leerplanadviesgroep over De Utrechtse School. En overigens excuses voor suffe naamsverwarring. Helpt het dat ik mijn eigen naam ook al verkeerd had getikt? 😉 🙂
    Ben benieuwd naar die 12 vragen.