Media & emotie

Dat media iets met mensen doen, weten we al zo lang er over mens en media gedacht wordt. Maar wat media doen, met welke mensen, onder welke omstandigheden en hoe die zogenoemde media-effecten tot stand komen, is al minstens honderd jaar onderwerp van debat.

Aan dat debat is sinds relatief kort een even complicerende als inzichtrijke factor toegevoegd: de rol van emoties. Die toevoeging is conform een contemporaine ‘mode’ in andere wetenschappen dan de psychologie, in journalistiek, ja zelfs in alledaagse openbaarheid: de groeiende aandacht voor emotie. Zo zijn er in afgelopen jaren op vele plekken onderzoeksinstituten opgericht (ACCESS aan de VU bijvoorbeeld, 2011), projecten gestart (Dutchness, emotions and Senses bij het Meertens Instituut, 2013) en specials van tijdschriften uitgegeven (BMGN/Low Countries Historical Review 2014 nr. 2). Internationaal gebeurt er nog veel meer. Een teken aan de wand is de recente vertaling in het Engels van Geschichte und Gefühl van Jan Plamper.

In hetzelfde kader past ook de onlangs aan de VU uitgesproken inaugurele rede van psychologe Elly Konijn, getiteld ‘Bewogen door media en emotie’ (voorlopig verkrijgbaar bij auteur of via s.gielink@vu.nl). De eerste zin ervan is programmatisch: ‘Media en emoties zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Toch wordt de rol van emoties in het gebruik van die media slechts mondjesmaat bestudeerd. In mijn onderzoeksprogramma spelen emoties en media juist een centrale rol.’

Konijn is mediapsychologe, een discipline waarvan het onderzoeksveld de klassieke media-onderzoeker vermoedelijk niet meteen duidelijk zal zijn maar die goed past bij een samenleving die aan alle kanten doordrenkt is van media (en emoties). Wat doen die media met ons en wat doen wij met die media? Aldus de belangrijkste vragen van de mediapsychologie.

De emotie is volgens Konijn bij uitstek het gebied waar de interpretatie van waarneming zich laat gelden. Ze bedoelt, denk ik: als ons mediagebruik ergens aan appelleert, dan zijn het wel aan de emoties (meer dan aan het verstand). Dat is vooral lastig, vervolgt Konijn, omdat we die emoties eigenlijk niet goed kunnen waarnemen. We nemen wel iets waar maar dat zegt meer over degene die waarneemt dan over dat wat waargenomen wordt. Een prachtig voorbeeld hiervan is het plaatje van de boze paprika’s. Geloof me, de paprika’s zijn niet boos.

99

In haar rede kondigt Konijn drie onderzoekslijnen aan. Een daarvan is de scheiding tussen de ervaring van fictie en werkelijkheid. De stelling: hoe sterker de emotionele betrokkenheid, hoe meer een gebeurtenis als werkelijk wordt ervaren. De daad-werkelijkheid is ondergeschikt. Wat echt voelt, is echt.

Deze constatering is van cruciaal belang voor een tweede onderzoekslijn. Deze betreft een problematiek waar iedereen dag in dag uit, direct of indirect (al is het maar via het nieuws) mee te maken heeft: de invloed van media op jongeren, bijvoorbeeld van game-helden op puberjongens en van ultraslanke modellen op jonge meiden. Zeker dat laatste is ondertussen wel een wat uitgekauwd onderwerp maar dat maakt het niet minder belangrijk. Bovendien is Konijn voorzichtig. Injectienaaldtheorieën en varianten daarop zijn lang passé, er is oog voor individuele verschillen en er is het besef dat media slechts één onder vele beïnvloedingsfactoren zijn.

Konijns derde aandachtspunt ligt eveneens in het verlengde van het eerstgenoemde. Voorbeeld is Sweetie, het 10-jarig Internetmeisje uit de Filippijnen dat enkele jaren geleden nogal wat pedofielen het hoofd op hol bracht. Sweetie was een avatar maar werd als echt ervaren omdat mannen dat wensten. Een dergelijke pop kan echter op vele manieren ingezet worden, ook voor goede zaken, bijvoorbeeld om oudere mensen het gevoel van eenzaamheid te ontnemen.

‘Gegeven de resultaten tot nog toe is ons motto dat sociale robots de zorg niet ontmenselijken maar juist menselijker kunnen maken,’ stelt Konijn dan ook. ‘Robots kunnen bijvoorbeeld vele routinetaken uit handen nemen en gezelschap houden, waardoor de zorgverleners zich kunnen richten op hun professionele vaardigheden.’

‘Samenvattend,’ besluit Konijn haar rede, ‘de emotionele reactie van het individu op dat wat de media hem voorspiegelt, bepaalt in hoeverre die media hem beweegt daarnaar te handelen. En dan gaat het niet zozeer om het tijdelijk meeleven met het personage, maar meer om hoe die emotionele reactie een uiting is van de eigen wensen, verlangens en behoeften en hoe die de diepere lagen aanspreekt, de snaren raakt. Inderdaad, het woord emotie is niet voor niets afgeleid van het Latijnse ‘emovere’ – het in beweging komen. Door de emotie brengen media ons in beweging.’

En het verstand dan, zo vraag je je af. Doet dat echt zoveel minder dan wij altijd geleerd hebben? Om voor de hand liggende redenen gaat Konijn op die vraag niet in – dat zou een andere rede vergen. Niettemin knelt hij, die vraag. Zijn wij mensen daadwerkelijk zo anders dan vijfhonderd jaar vertoog over toenemende rationaliteit door Renaissance, Verlichting en meer geleerd heeft? Zijn we eigenlijk niet gewoon beestjes, bewogen door ‘instincten’ die in onze gemediatiseerde wereld op hun beurt eerst en vooral door media (teweeg)gebracht worden? Is dat hele rationaliteitscircus uit de beschavingstheorie vooral ideologie, wensbeeld eventueel?

Naast Konijns rede ligt Ons feilbare denken van Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman op mijn bureau. Daarboven hangt een boekenkast vol geleerde vertogen. Het voelt ongemakkelijk.