Lijdelijkheid en geheimzinnigheid (Corona en journalistiek, 22)

Zolang er geen vaccin gevonden wordt, hebben we alleen ons (gezond) verstand om COVID-19 te beheersen. Daarom om de dag een post met links en kanttekeningen over het raakvlak tussen virus en journalistiek. Aflevering 22, 29 april 2020.

Wetenschap en geheimhouding verhouden zich lastig tot elkaar. Tot voor kort slikte Nederlandse bestuurders en journalisten de orakelen van het Outbreak Management Team als zoete koek, maar daar kwam in het weekend toch even de klad in. Het is een journalistieke reflex om eerst op een voetstuk te hijsen om daarna, met een schuine en zuinige blik, de bijl aan, in dit geval, de sokkel te zetten. Logisch, critici zijn er altijd en je weerlegt tegelijkertijd het mogelijke verwijt te eenzijdig verslag te doen.  

Eric Jan Wagenmakers (methodoloog aan de UvA), Gowri Gopalakrishna (VUamc) en Alex Friedrich (viroloog, VU), die weleens meedoet met het overleg, zijn het gebrek aan transparantie niet gewend. Wat volgde was een wat obligaat praatje over bronnen in werkstukken; alsof het OMT een klasje papers schrijven behelst en niet een historische ramp managet. Om een metafoor te gebruiken die eerder in het covid-dossier opdook: als de straat in de fik staat, moet je niet zeuren over de waterrekening. 

Jan Terlouw, die van dat touwtje uit de voordeur, schreef een kort snibbig briefje in het NRC waarin hij pleit voor meer openheid. De politici kunnen geen wetenschap bedrijven en de wetenschap weet nooit iets zeker, aldus Terlouw. Dus moet worden gekozen en die keuzes aan het volk worden uitgelegd. Dat is de taak van de politiek en dat gaat niet goed. 

Daar hebben ze in Engeland overigens ook problemen mee – transparantie in casu covidadviezen. Hun Outbreak Management Team heet SAGE (Scientific Advisory Group for Emergencies) en is net zo geheimzinnig als de Nederlandse evenknie. En ook in de VK kostte het media (de Guardian) de nodige moeite om te achterhalen wie in die groep zaten

De Britten vonden de vraag wie niet in SAGE zaten interessanter dan wie er wel in zaten. Zo missen immunologen en intensivecarespecialisten. In het team wel microbiologen, klinische academici, zeven modelbouwers, gedragswetenschappers met oog voor rampen en terrorisme en twee politieke adviseurs met heel directe lijnen naar Johnson. Was dit voldoende om de crisis te counteren?, wilde Britse media weten. En ook in Nederland wordt op het belang van transparantie gehamerd — alleen dan wordt de kwaliteit van de besluitvorming gemaximeerd. 

Dat laatste idee, dat transparantie de kwaliteit van besluitvorming bevordert, druist echter in tegen de Nederlandse politieke cultuur. Die wordt vooral bepaalt door lijdelijkheid en geheimzinnigheid. Alleen zo kan de elite van diverse (minderheids)belangen in alle openheid hun tegenstelling uitruilen en, eenmaal terug bij hun achterban, de volledige overwinning van hun deelsucces claimen. Over dit mechanisme oreerde politicoloog Hans Daalder al in 1964. ‘s Lands bestuur, sprak Daalder toen uit, heeft “de neiging tot geheimhouding, en (…) onmiskenbare gewichtigdoenerij”. Ik kan de wekelijkse persconferentie van Rutte niet beter typeren.

We verzetten ons van tijd tot tijd tegen deze regententraditie en -mentaliteit, soms massaal (2002), soms bescheiden (onlangs). Maar tijdens crises steekt de bestuurlijke  refelx van toedekken toch weer op en wordt vooral gedepolitiseerd: wat kan schuren, stoppen we weg in geheime commissie. Een schande? Lees het proefschrift van Daalders zoon, Eric-Jan uit 2005. Daaruit borrelt vooral op dat openbaarheid van bestuur een rechtsstatelijke en democratische voorwaarde is, maar geen gegeven dat a priori kan worden afgedwongen. Openbaarheid komt na debat en discussie tot stand — het is dus een proces waarbij journalistiek onmisbaar is. Kijk maar naar Nederland en, onlangs, in de VK. <<

Auteurs