De journalist als slachtoffer, burger en mens

Ik heb er slecht van geslapen, ik geef het onmiddelijk toe. En dat terwijl ik geen seconde bewegend beeld heb bekeken van de onthoofdingsvideo’s die de IS ons de voorbije weken deed toekomen. De stills van knielende journalisten geflankeerd door een misdadiger met een mes deden samen met m’n inlevingsvermogen het werk. Het is één ding om te weten dat je gaat sterven, en dat het pijnlijk zal zijn. Zo mogelijk nog onverdraaglijker lijkt mij de gedachte dat miljoenen mensen het zullen zien, of dat nu in afschuw is of met het plezier van de voyeur. Dat ‘gemediatiseerde’ karakter van de moord maakt haar des te schrijnender.

Ik weet dat het schijnheilig is, sommigen zullen het eurocentrisch of zelfs racistisch noemen, maar evenals de dood van Daniel Pearl in 2002 maken deze tweede en derde onthoofding van Westerse journalisten me nog triester en razender dan alles wat eraan is voorafgegaan: in de regel met Arabieren en Moslims, degenen die – laten we dat niet vergeten – verreweg het vaakst slachtoffer zijn van zich ‘Moslim’ noemende psychopaten. Op het gevaar af dus van hypocrisie, raken de moorden op Daniel Pearl, James Foley en Steven Sotloff me omdat het journalisten waren en dan ook nog eens journalisten die er een missie van maakten om aan het Westen het leven en lijden te tonen van mensen in het Midden-Oosten.

Dat is dus wat de IS doet: hij vermoordt niet alleen onschuldigen die de pech hebben niet tot zijn sekte te behoren, hij vermoordt ook diegenen die meer voor moslims hebben gedaan dan de IS zelf ooit kan doen. Wellicht verklaart dit het enige positieve effect dat ik tot nu toe heb kunnen ontwaren in de gebeurtenissen van de voorbije weken: dat meer dan ooit tevoren moslims afstand nemen van degenen die in hun naam doden. Zie bijvoorbeeld de tweets van journaliste Boutaïna Azzabi, die geen doekjes windt om haar minachting voor de IS, zie ook de subversieve humor gericht tegen de IS die op de tv en het internet van veel Arabische landen furore maakt. Naast hun afschuw voor het fundamentalistische geweld op zich, drijven ongetwijeld ook het besef dat de IS de islamitische zaak geen goed doet en het geloof dat zijn terreur in strijd is met de islam, deze moslims die anders vooral in actie komen wanneer Amerikanen of Israëli’s de aggresor zijn.

 

Maar laten we onze aandacht eens verleggen naar de collega’s van Pearl, Foley en Sotloff: de journalisten. En dan niet degenen die net als zij verslag doen vanuit het Midden-Oosten (denk in Nederland aan een Arnold Karskens, Roel Geeraedts of Bram Janssen), maar aan de mensen die de terroristen geven wat ze willen: eindeloze airplay. Of deze journalistiek nu wordt gedreven door eigen voyeurisme, door het geloof dat alleen afschuw mensen in actie brengt en dat daarvoor bewegend beeld van een onthoofding op z’n plaats is, of door een ten koste van alles ‘nieuws’ willen brengen: reflectie is op haar plaats. In DNR heb ik vorig jaar betoogd dat er een vorm van medeplichtigheid met terroristen kan ontstaan wanneer je ze de publiciteit blijft bieden die ze zozeer wensen. Zoals de filosoof Rudiger Safranski ooit schreef: ‘De enen produceren de verschrikking in de verwachting dat de anderen die verbreiden.’

Er zijn geen pasklare antwoorden, maar hier mogen eind- en hoofdredacteuren op z’n minst over nadenken. Dat geldt ook voor de alleszins legitieme oproep die de familie van James Foley twee weken terug deed, om niet naar de video van zijn onthoofding te kijken uit respect voor zijn privacy. Of voor het advies dat Nick Confessore – politiek verslaggever van The New York Times – gaf toen dinsdag bekend was geworden dat Sotloff was vermoord: Don’t watch the video of Steven Sotloff’s murder. Read his reporting instead. Het lijkt misschien futiel, zo’n besluit van een kijker om niet te kijken. Maar soms is het de enige daad van respect die je kunt stellen: niet-meedoen met de keten van sadisme en voyeurisme. En al helemaal als je daarna inderdaad Confessore’s advies opvolgt, het werk van Sotloff leest en op grond daarvan in actie komt.

Het laatste wat we nodig hebben, is hysterie die wordt aangedreven door terreur. Het zal de eerste keer niet zijn dat een oorlog wordt begonnen op grond van gruwelpropaganda, van welke kant dan ook. Maar de daden van IS spreken helaas voor zichzelf. Voor journalisten geldt dat ze zich niet langer kunnen verschuilen achter hun journalist-zijn, met een argument ‘dat je nu eenmaal het nieuws brengt’, alsof je daarmee ergens ver boven de samenleving zweeft. Je bent eerst mens, dan burger en daarna journalist. Dat besef mag ook in Nederland tot de vraag leiden hoe je omgaat met het leven en vooral de dood van andere mensen. Wat voor bijdrage jij als journalist denkt te leveren aan – jawel – het voortbestaan van onze democratie en aan het ontbreken ervan in grote delen van de wereld. En, last but not least, aan het begrip van misdaden niet om de misdadigers te excuseren maar om te helpen voorkomen dat er nieuwe misdaden plaatsvinden. Sommige zaken zijn belangrijker dan nieuws en zeker dan sensatie.

 

 

 

Auteurs

2 comments

  • willvanbroekhoven

    Remko, je artikel sprak me aan. Voor mij is een eye-opener het citaat: Don’t watch the video of Steven Sotloff’s murder. Read his reporting instead.” Ik realiseer me dat na de onthoofdingen mijn aandacht vooral uitging naar het gruwelaspect en de publieke reacties. En in tweede instantie de strategische overwegingen van ISIS om met dergelijke schanddaden de wereld op te schrikken. Het kwam niet bij me op om me extra te gaan verdiepen in het journalistieke werk van de slachtoffers. Ik kan me ook niet herinneren daarover iets substantieels te hebben aangetroffen in de kranten die ik lees. Maar dat had misschien te maken met mijn selectieve focus.
    Ik zit nog met de volgende vraag: is het wel de missie van journalisten om zich in te zetten voor de democratie als politiek stelsel hier op aarde?

  • remkovanbroekhoven

    Je vraag is terecht, en ik antwoord er – ondanks mijn stuk – ook niet met een hartgrondig ‘ja’ op. Maar gegeven de crisissituatie waarin we volgens mij verkeren, zou ik journalisten wel degelijk willen oproepen om de democratie te verdedigen. Dat is een appèl dus. Geen plicht. Wat ze daarmee doen, is aan hen…