Boek ‘Nieuwsbehoeften’ Maike Olij

Recent verscheen van de hand van (inmiddels oud-NOS’er en huidig NPO’er) Maike Olij het boek ‘Nieuwsbehoeften – een NOS-boek over nieuwsgebruik‘. Met een eenvoudig gevisualiseerd en uitvoerig onderbouwd en uitgelegd nieuwsbehoeftenmodel, dat kan worden gebruikt om nieuwe nieuwsformats mee ontwikkelen.

Het nieuwsbehoeftenmodel

Het nieuwsbehoeftenmodel van Maike Olij

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Het publiek centraal stellen, denken vanuit behoeften, vernieuwende formats ontwikkelen, betrouwbare indicatoren opstellen voor succes: een nieuwsorganisatie heeft er tegenwoordig een hoop nieuwe taken bij,” schrijft Olij. Zo heeft alleen de journalist in haar model al ten minste vier duidelijk te onderscheiden, nieuwe rollen:

  1. Curator, bij ‘bijblijven’
  2. Dienstverlener, bij ‘toepassen’
  3. Gids, bij ‘mening vormen’
  4. Verhalenverteller, bij ‘beleven’.

Maar de journalist is in de huidige nieuwsorganisatie niet de enige die andere taken en rollen heeft gekregen of moet gaan vervullen…

Nieuwsformats bezien vanuit de consument

Cover boek NieuwsbehoeftenOm tot het model te komen heeft Olij veel gebruik gemaakt van zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek. Waar een aantal feiten, definities en gegevens in hoofdstuk 1 voor de journalistiek-watcher wellicht gesneden koek is, biedt het nieuwe, eigen onderzoek van Olij (en Paul Hek) in hoofdstuk 2, gecombineerd met recente overzichten en cijfers van titels, platformen, kanalen en tijdsbesteding (in binnen- en buitenland) een goed overzicht van het huidige journalistieke landschap in de context van publiek.

Die onderzoeksgegevens indachtig helpen ook de volgende hoofdstukken om diezelfde watcher -ja ik bedoel u, geachte lezer- een nieuw perspectief te bieden: dat van degene die first en foremost bediend moeten worden door de journalistiek – de gebruiker.

En dat doet uiteraard mijn user experience-hart sneller kloppen. Olij hanteert, zij het enigszins voorzichtig, een klein aantal user-research methoden die in het human-computer-interaction (HCI) domein al jaren gangbaar en bewezen zijn. Zo zet ze cultural probing (in de vorm van dagboekjes) en interviews in, die ze combineert met het schetsen van beelden bij respondenten, om motivaties en behoeften te achterhalen.

Wat mij betreft had ze hier verder in mogen gaan, door het volledige arsenaal van Stickdorn & Schneider in te zetten, en door gebruik te maken van tools als Empathy Mapping van Stanford University. De door Olij gebruikte focusgroup-methode heeft uiteraard z’n voordelen (efficient in tijd en dus geld), maar het kwalitatieve resultaat dat je verkrijgt uit designresearch-methoden uitgevoerd met individuen, leveren doorgaans een rijker en veelzijdiger beeld op van de zogeheten user needs. En daar is het in dit werk toch vooral om te doen. Desalniettemin weet Olij met bestaand en eigen resultaat te overtuigen, en breekt ze (nog maar weer) een lans om denken in leeftijdsgroepen te verlaten en van behoeften uit te gaan. Kennelijk nog altijd noodzakelijk om dit benoemen voor het primaire publiek van dit boek.

Onderzoek over, met en voor de gebruiker

Olij gebruikt in haar boek veel bestaand onderzoek, uit zowel binnen- en buitenland. Een belangrijk deel van de inhoud leunt op eerder en vrij bekend onderzoekswerk van Costera Meijer en Groot Kormelink uit 2004-2014. Bij dit onderzoek zijn eerder kanttekeningen geplaatst, waaronder in het artikel van Frank Huysmans op DNR. Dit werk brengt de door Huysmans’ gestelde ‘categorische afwijzing van cijfermatige informatie’ van dat eerdere onderzoek wat mij betreft weer in balans, en actualiseert en illustreert verder met rijke voorbeelden (veelal ook niet-NOS). Het zijn alleen al de modellen, voorbeelden, interviews met en quotes van experts en professionals van zusterorganisaties uit binnen- en buitenland die Olijs werk erg interessant maken.

Maar de ‘snapshots’ uit het leven van de vier ‘voorbeeldmensen’ maken het model vooral ook echt invoelbaar. Dit kwartet nieuwsgebruikers wordt door het hele werk heen opgevoerd om de verschillende nieuwsbehoeften tastbaar te maken. Een voorbeeld aan het eind van dat de behoefte ‘toepassen’, door Olij verwoord als ‘Hoe zit dat bij mij’, geeft Lesley, 29, Rotterdam:

“[…] En #’s, vooral op instagram. Dan is er iets gebeurd en dan kijk ik op de #’s en dan weet ik weer even wat er is gebeurd.”

Met deze en de tientallen andere voorbeelden krijgen we steeds meer zicht op hoe gelaagd en multidimensionaal nieuwsbehoeften kunnen zijn. En dat zou toch hoop moeten geven voor de rekenaars, denkers, ontwerpers en ontwikkelaars in zowel de newsroom als de boardroom.

Van emotie naar ratio…

Heel praktisch is het lijstje waarmee succes gemeten kan worden, per nieuwsbehoefte. Met de eerdergenoemde cijfers, overzichten, voorbeelden, interviews, dagboeken en de illustraties weet Olij op rationeel en zelfs emotioneel vlak de noodzaak van de behoefte-benadering te onderbouwen en inzichtelijk te maken.

En nu de organisatie-cultuur
Of ze met dit werk ook (indirect) de cultuur van bestaande organisaties weet te veranderen, is nog maar de vraag. Olij eindigt haar werk dan ook met een aantal aanbevelingen voor organisaties. Waar hebben we hetzelfde soort adviezen in 2015 ook alweer nog meer gelezen en gehoord? Juist, bij Klaske Tameling, die interdisciplinariteit, medium-onafhankelijke samenwerking en aandacht voor verandermanagement predikte om de nieuwsorganisatie van de 21e eeuw op orde te krijgen. Daar hebben we nu in 2016 een interessant nieuw hoofdstuk bij in de vorm van behoeften-denken.

Marcel Gelauff verwoord het sentiment en de klassieke reflex van de incumbent die zijn industrie en positie disrupted ziet, in het voorwoord heel mooi (en geeft daar tegelijkertijd een wenkend perspectief, ook omdat dat natuurlijk hoort in voorwoorden):

“Denken in nieuwsbehoeften staat niet voor het klakkeloos volgen van de wil van de kijker, maar voor het in vorm en aanpak beter dan vroeger aansluiten bij de wereld van de kijker […]”

(Dat hij het hier -hoe kan het ook anders vanuit zijn perspectief- over de kijker heeft, zegt misschien wel weer genoeg, maar dat gegeven zullen we voor nu achterwege laten.)

Enfin, het is hoe dan ook voor de volledige beroepsgroep een cadeau dat de NOS / Maike Olij dit onderzoek deelt. Hiermee kan het denken vanuit de organisaties wellicht kantelen. Wat mij betreft heeft Olij met dit boek vooral een rijke, actuele samenvatting en praktisch handboek geschreven. Niet sec voor journalisten, maar voor iedereen die zich beroepsmatig bezighoudt met media in deze vroege 21e eeuw.


Voor de full disclosure: voor de Minor Future News Media van de Hogeschool Utrecht hebben we besloten om dit boek als verplichte literatuur in te stellen voor de studenten, die in interdisciplinaire teams medium-onafhankelijke nieuwsproducten gaan ontwikkelen: journalisten, business-developers & commercieel economen, marketeers, developers, ict’ers en designers.