Mijn schuilkelder in Israël

Ik heb voor de vakantie mijn huis geruild met een landschapsarchitect en zijn gezin uit Israël. Voor het vertrek hebben we het even over veiligheid gehad. “Geen probleem als je door de West Bank wilt reizen,” mailde echtgenote Lia. “Ik ga er uit principe niet heen – zoals de kolonisten er uit principe wel heen gaan. Ik ben Israëliër. En als iemand daar op het idee komt om me te ontvoeren, gaat hij niet naar mijn politieke opvatting vragen. Maar jij als buitenlander, jij kunt daar wel reizen.”

Nu de raketten uit Gaza op Tel Aviv en Jerusalem zijn gericht, ligt de zaak wat anders. Gister werd ik door een buurman gebeld.

“Ik weet dat in het huis waar jullie zitten geen schuilkelder is,” zegt hij. “Zal ik even langs komen, dan kan ik laten zien waar de onze is.” Na twee minuten staat hij voor de deur en rijden we naar zijn huis een straat verder op. Op de veranda ligt een witte kat te slapen en binnen zat zijn dochter op de bank tv te kijken. “Het is nu wat stil in huis,” zei hij. “Mijn vrouw is voor het werk aan haar proefschrift in het Noorden en mijn zoon is in dienst.”

Hij vertelt dat ieder te bouwen huis tegenwoordig een schuilplaats moet hebben en hij laat ons de zijne zien. Het lijkt een gewone werkkamer. Met dit verschil dat de muren dertig centimeter dik zijn en het raam met metalen schotten afgeschermd kan worden.

Via Facebook weet de buurt dat er een aanval is gepland op een dorp even ten noorden van ons. “Het is beter als jullie vanavond niet te ver van huis gaan,” zegt de buurman. We wisselen telefoonnummers uit en hij brengt ons weer naar huis. “Een volgende keer moeten we maar eens koffie drinken,” zegt hij.

Via mijn tablet lees ik hoe de Volkskrant schrijft over Palestijnse slachtoffers en laat de New York Times me weten dat er vanochtend weer drie raketten op Tel Aviv zijn afgevuurd. En, anders dan in de kranten staat, denken de mensen op straat dat het over een paar dagen weer over is.

Auteurs