Discussie

De belangrijkste conclusie van het onderzoek Hyperlocal in Nederland is niet dat er zoveel lokale en hyperlokale sites zijn aangetroffen in Nederland. Tijdens het zoeken naar sites – ook in vorig onderzoek – bleek dat er nogal wat sites recent waren verdwenen of van opzet waren veranderd. Een aantal sites maakte de indruk op sterven na dood te zijn (nauwelijks of geen updates, veel achterstallig onderhoud, niet werkende links) terwijl er ook net startende initiatieven werden aangetroffen. Het is – in andere woorden – een permanent en snel veranderend landschap.

Daarnaast zou een andere methode of een andere definitie van ons onderzoeksobject ook tot andere aantallen leiden. Hebben we terecht sites zonder nieuws van de laatste maand uitgesloten? Horen sites als Dichtbij en Vandaag (verbonden met grote uitgever) wel bij de onafhankelijk sites? Wat te doen met sites die een hele regio coveren? Is een site met uitsluitend 112-nieuws wel een “algemene lokale nieuwssite”? Zouden we dan ook niet sportsites moeten meenemen of sites met alleen maar nieuws over uitgaan (cultuur)? Waarom aggregatiesites niet meegenomen? Of sites van lokale – en regionale omroepen, huis-aan-huisbladen, nieuwsbladen en regionale dagbladen? Wat zou er gebeuren als we niet op gemeentenaam maar op plaatsnaam (ruim 4000) hadden gezocht? Om maar te zwijgen van buurt-sites – zijn die niet echt hyperlokaal? Elke andere definitie en benadering zou tot een ander aantal (misschien minder, maar waarschijnlijk meer) leiden. Ook nu is het waarschijnlijk dat we sites over het hoofd hebben gezien of sites ten onrechte hebben opgenomen.

De discussie zou wat ons betreft niet moeten gaan over hoeveel sites nu eigenlijk zijn maar over wat sites daadwerkelijk doen. Doen ze wat er van ze verwacht wordt? Spelen ze een rol in de samenleving? Doen ze wat ze zelf willen? Realiseren ze hun doelstellingen? Maken ze optimaal gebruik van de mogelijkheden?

In Nederland is men op het gebied van online nieuws geobsedeerd door het begrip ‘innovatie’. Alles moet innovatief en innoverend, anders en nieuw. Subsidiebeleid is daar ook vaak op gericht: het starten, bedenken, opzetten en ontwikkelen van nieuwe innovatieve initiatieven. Maar wie naar de ontstaansgeschiedenis kijkt, ziet dat de helft van de sites die we nu onderzocht hebben vijf jaar geleden ook al bestond. Er is geen sprake van een plotseling groei maar ook geen sprake van een afname van groei – de ontwikkeling ziet er nogal geleidelijk uit. Bovendien: hoe innovatief is het nu nog om een lokale site voor Appelscha, Schinnen of Terneuzen op te zetten? Zulke sites zijn er in overvloed.

Het probleem van de Nederlandse lokale sites – en dat blijkt duidelijk uit de ontstaansgeschiedenis en gesprekken met eigenaren – is niet dat het lastig is om een site op te zetten, maar vooral dat het lastig is om een site in de lucht te houden, aan te passen en te laten groeien. Het opzetten van een site is eigenlijk een fluitje van een cent: de techniek is (bijna) gratis, content is overal wel te vinden, en met enthousiasme kan je er best een aantal uren, dagen of zelf weken insteken zonder dat het meteen geld oplevert. Maar wat als advertenties uitblijven, als medewerkers de brui eraan geven, als het niet wil vlotten met bijdragen van vrijwilligers, als er juridische of technische problemen opduiken, als er een nieuwe versie van WordPress, Twitter of Facebook geïnstalleerd moet worden en deze met elkaar moeten worden gekoppeld?

De praktijk van de Nederlandse lokale sites laat geen gebrek aan innovatie zien maar een probleem met ‘sustainability’ – het bedrijfsmatig gezond maken van het business model zodat er continuïteit ontstaat. Dit probleem manifesteert zich in de praktijk doordat duidelijk is dat veel sites niet optimaal gebruik maken van de mogelijkheden die voorhanden zijn.

Enkele voorbeelden:

Twitter en Facebook zijn uitgelezen mogelijkheden om content te delen, contact te onderhouden met gebruikers en het bezoek aan de site te vergroten. Toch maakt een belangrijk deel van de sites geen gebruik van die mogelijkheden, en zelfs als ze een Twitter of Facebook-account hebben, is er niet altijd de mogelijkheid om content te delen.

Wie mee wil werken aan een site (content bij wil dragen) of wil adverteren, wil waarschijnlijk ook wel weten wat voor site het is, wie erachter zitten en wat de doelstellingen zijn. Deze informatie mist bij nogal wat sites. Zelfs informatie over hoe te adverteren ontbreekt in veel gevallen – het vermelden van alleen een telefoonnummer is ook weinig interactief of innovatief.

Advertentie-inkomsten zijn laag, en het aantal advertenties is bij veel sites ook gering. Er lijkt veel behoefte aan professionalisering op dit gebied. Bezoekersaantallen worden bijvoorbeeld niet of op een ontoegankelijke manier gepubliceerd. Veel advertenties duidt overigens ook niet altijd op professionaliteit. Eén site bevatte 83 banners onder elkaar…

Bijdragen van gebruikers kunnen lang niet bij alle sites automatisch (na registratie) worden toegevoegd. Deze vorm van originele content wordt op deze manier niet optimaal ingezet.

Vaak wordt er neergekeken op aggregatie en content van partners, maar in feite gaat het hier om waardevolle (en gratis) content. Een site die slim gebruik maakt van deze mogelijkheden zou een mooie bron aanboren. Maar ook hier wordt betrekkelijk weinig gebruik van gemaakt.

Op basis van deze analyse zou beleid ten aanzien van lokale nieuwssites minder gericht moeten zijn op het bedenken, ontwikkelen en in de markt zetten van nieuwe (innovatieve) initiatieven maar veel meer op het aanpassen, doorontwikkelen en verbeteren van bestaande modellen, met name op bedrijfsmatig en technisch gebied. Er hoeft niet altijd gedacht te worden aan externe ingrepen (workshops, cursussen, online steun). De sector zou daarbij zelf ook een belangrijke rol spelen. Veel sites doen het op onderdelen namelijk heel goed, en leren van inspirerende voorbeelden is misschien wel de beste leerschool.