Over Leven in media van Mark Deuze

Mark Deuze heeft me altijd een beetje doen denken aan oom Harry, een achter-, achterneef  van mijn moeder die op jonge leeftijd om onduidelijke redenen in Amerika belandde, terugkwam en zich sindsdien een tikje te groot waande voor ons kikkerlandje. Ter illustratie hiervan – ik praat nu over een halve eeuw geleden, ik was een snotaap – had hij een horloge ‘dat je nergens op de wereld kon krijgen behalve in,’ inderdaad, Amerika. Ik herinner me nog dat ik als kind bij dat horloge m’n ogen uitkeek, er zaten allemaal wijzertjes op, een maantje, een zon, weetikveel, prachtig. Zo was Amerika dus, ooit, zo nam ik me voor, zou ik het wonder met eigen ogen aanschouwen. Maar toen ik op jongvolwassen leeftijd de zeer oude Harry nog een keer tegenkwam en hij opnieuw over zijn horloge begon, een ding dat je op dat moment overal voor een prikkie te koop was, kon ik een glimlach toch niet onderdrukken.

Deuzes nieuwe boek, met voor wie zijn werk kent de bijna onvermijdelijke titel Leven in media, is een leesbaar, speels en, ik ben geneigd te zeggen, bijna vanzelfsprekend boek. Met dit laatste doel ik op het feit dat je bij veel, zeer veel van wat erin staat automatisch  het woordje ‘inderdaad’ mompelt. Inderdaad, zo is het, in ieder geval zo ongeveer. Dit is onze (media)wereld. En wat Deuze ervan beweert, is het minste dat je van deze wereld dient te begrijpen.

Conform de titel van het boek is Deuze’s centrale stelling, ondertussen volgens mij al gedurende een jaar of tien overigens, dat onze verhouding tot de media sinds geruime tijd veranderd is. Vroeger waren media media, dat wil zeggen instrumenten of middelen die stonden tussen ons en de wereld. We keken televisie, luisterden radio, lazen de krant. In wereld Xpuntzoveel, de onze, bestaat zo’n scheiding niet meer. Wij zijn onze media, onze media zijn wij en het is bijna onmogelijk nog langer een onderscheid te maken tussen, ingewikkeld gezegd, subject, object en middel, ja zelfs zinloos nog langer het communicatiecliché van zender, ontvanger en boodschap te gebruiken. Alles loopt door elkaar. Maar dat niet alleen. Net als subject en object zijn ook media er altijd – en overal.

‘Mensen sluiten weliswaar media af – doen een boek dicht, bergen de laptop weg en sluiten de deur van de televisiekast –,’ schrijft Deuze in de inleiding van dit boek, ‘maar komen niet werkelijk los van de ervaringen, informatie en contacten die ze via media hebben. Juist nu media zo onlosmakelijk met ons leven verbonden zijn en ze zich overal om ons heen nestelen, soms zelfs in ons (zoals bij ingeplante computerchips), wordt het bijna onmogelijk om media nog kritisch te beschouwen, laat staan dat we in staat zijn ze op een afstand te houden.’

Dit laatste klopt zonder twijfel en wordt door Deuze dan ook verwoord met de opmerking dat media voor ons zijn wat het water is voor de vis. Maar juist daarom is de daaraan voorafgaande opmerking, over de onmogelijkheid media kritisch te beschouwen, op zijn minst twijfelachtig. Want mensen zijn geen vissen. En als ze dat soms of gedeeltelijk wél zijn, dan is het zaak dat niet klakkeloos te aanvaarden. Dat heeft met moralisme niet te maken. Wél met mens-zijn. Maar doet Deuze dat – dat niet zondermeer aanvaarden bedoel ik?

Mmm.

De opbouw van Leven in media is net zo helder als de inhoud. Na een inleiding (deel 1) en wat definities (wat zijn, doen enz media, deel 2) volgt een hoofdstuk over media en samenleving (deel 3). Hierin bespreekt Deuze niet alleen de vanzelfsprekende rol die media vervullen bij menselijke communicatie maar ook de minder vanzelfsprekende rol die media hebben voor ons geheugen en ons zelfbeeld. Vooral de hoofdstukken over deze twee laatste onderwerpen zijn om twee redenen fraai. De ene is dat Deuze iets heeft dat bij veel mediaonderzoekers ontbreekt: historisch besef. Niet elke moderne scheet wordt door hem opgeblazen tot een kosmische storm. Anders gezegd: Deuze is er zich goed van bewust dat de huidige ‘mediarevolutie’ het voorlopig topje is van een lange ontwikkeling. Dat is winst. De tweede reden van de aantrekkelijkheid van de hoofdstukken over media, geheugen en, wat Deuze noemt, erkenning is het grote aantal verwijzingen naar alledaagsheden, films, series, strips, muziek, projecten, taal, geschiedenis, boeken en websites. Droog en/of theoretisch is de tekst daarom zelden. Deuze staat met journalistenpoten in de mediaklei.

Niettemin gebeurt in deel 4 (‘De gevolgen van een leven in media’) en deel 5 (‘Hoe we goed kunnen leven in media’) iets vreemds in dit boek – alsof onze stoere kleiboer tevens met de handen in het haar zit. Deel 4 is met name in de hoofdstukjes over surveillance, de verhouding tussen mens en machine en de verdwijning van het onderscheid tussen echt en virtueel of waar en nep behoorlijk somber. Maar in het laatste hoofdstuk van deel dit weigert Deuze hieruit de voor de hand liggende consequenties te trekken, spreekt (terecht overigens) van ambivalentie en neemt een voorschot op het 5de en laatste deel van zijn boek dat, zoals de titel al suggereert, juist optimistisch is. Dit optimisme wordt nog eens versterkt door de conclusie van het boek (deel 6, ‘Tot slot’). Deze draagt geen mindere titel dan ‘Een mooi en goed leven in media’.

In zijn ‘optimisme’ gaat Deuze zover dat hij beweert dat ‘een zekere mate van “zombie-zijn” goed voor ons is – overigens is dat ook weer een oud thema van hem: al in 2006 verklaarde Deuze de journalistiek tot een zombie-vak en in 2015 publiceerde hij in het Journal of the Fantastic in the Arts (nog nooit van gehoord) een artikel onder geen mindere titel dan ‘Living as a Zombie in Media is the Only Way to Survive’. Dit laatste is precies wat hij ook in dit boek beweert. Hierbij baseert hij zich onder meer op het Zombie manifesto dat tien jaar geleden gepubliceerd werd door twee Amerikaanse literatuurwetenschappers.

Deuze: ‘ze pleiten voor het serieus nemen van de zombie als metafoor voor het goed begrijpen van onze tijd en de wereld waarin we leven. Ze suggereren dat de populariteit van zombies te maken heeft met gevoelens van machteloosheid bij veel mensen, geconfronteerd met de heftige, grensoverschrijdende crises die constant via media onze huiskamers binnenkomen: beurscrashes (zoals in 2010, sic??), terroristische aanslagen, natuurrampen en onrust over verontreiniging van de lucht die we inademen en het voedsel dat we eten. Onze onmacht om echt iets te doen aan dit alles terwijl we er wel voortdurend mee te maken hebben, wordt belichaamd in de apathische, wezenloze, zichzelf voortslepende levende dode.’

Je zou verwachten dat Deuze vervolgens een poging doet om ons opnieuw tot het volle leven te wekken. Maar nee. Weliswaar is de redenering behoorlijk ingewikkeld en ook gestoeld op een fundamentele paradox (halfdood als voorwaarde voor nieuw leven), Deuze volhardt erin. Zombies, zo stelt hij, leren ons voorbij de grenzen van het individu te kijken en dus opnieuw gemeenschap en passie te vinden. Mij overtuigt het eerlijk gezegd nauwelijks, ik begrijp wel wat hij bedoelt maar vind dat deze zombie-verwijzing meer verwart dan verheldert: een gezochte vergelijking die de vinder zelf zo leuk vindt dat hij hem tegen beter weten in niet meer op wil geven, een zoveelste illustratie van het klassiek-journalistieke ‘I don’t want to kill my darlings-probleem’ dus. In zoverre heeft Deuze nog altijd iets van Oom Harry. Die hield ook van speeltjes.